Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

maandag 16 december 2013

Waar moet het heen en waar gaat het heen?

Over taalgebruikers en moedertaalsprekers
Door Marc van Oostendorp

De onderstaande tekst was bedoeld voor het afscheidssymposium van Jan Renkema van enkele weken geleden, waar ik op het laatste moment door omstandigheden niet naartoe kon. Ik bied hem Renkema én u als 'taalgebruiker' aan nu aan als longread



Waar moet het heen met het Nederlands? Toen de organisatie van het afscheidssymposium voor Jan Renkema mij die vraag stelde, gaf ze me speciale toestemming om die vraag te herformuleren als ‘Waar gaat het heen met het Nederlands?’

Over die speciale behandeling heb ik lang nagedacht. Waar heb ik hem aan te danken? Waarom denkt men dat ik als taalkundige geen antwoord wil geven op die eerste vraag en wel op de tweede, terwijl de andere deelnemers kennelijk geen probleem hebben met die eerste vraag? Volgens mij zegt dat iets essentieels over het verschil tussen taalwetenschappers en taalbeheersers (of: taaladviseurs), zoals de organisatoren die vermoedelijk zien, en zoals in ieder geval Jan Renkema, voor zover ik zijn werk ken, die ziet.

Ik moest even denken aan de roman De besten onder ons van de Zweedse taalkundige Helene Uri. In die humoristische roman figureert een instituut voor futurologische linguïstiek met twee afdelingen. De een houdt zich bezig met de vraag hoe de taal er in de toekomst uit moet zien. De ander met de vraag hoe ze er daadwerkelijk uit zal zien.


Dat is een grap, maar kennelijk bestaan er ook twee van dat soort afdelingen aan echt bestaande universiteiten. De ene, die van de taalwetenschapper, gaat over hoe de werkelijkheid is. De andere, die van de taaladviseur, gaat over hoe ze zou moeten zijn. Maar het gaat nog verder, want in zekere zin bestrijden de visies elkaar. Althans, ik neem aan dat taalbeheersers nog wel enige belangstelling willen opbrengen voor hoe de werkelijkheid is, maar dan toch alleen voor zover die veranderd kan worden. Taalwetenschappers worden aan de andere kant kennelijk geacht de vraag hoe een en ander zou moeten zijn van de hand te wijzen: in die werkelijkheid kun je niet eens ingrijpen, dus het is irrelevant hoe het allemaal volgens ons moet.


Ik wil graag met u iets verder doordenken over die twee visies op taal, want het raakt volgens mij aan iets essentieels. Het gaat namelijk over de manier waarop we de relatie zien tussen de mens en zijn taal. Er zijn twee verschillende woorden in omloop die de persoon vanuit die relatie beschrijven: taalgebruikers en moedertaalsprekers.

Het verschil tussen die twee woorden is niet onschuldig. De eerste ligt dichter bij de manier waarop een taalbeheerser denkt, de tweede dichter bij de manier waarop een taalwetenschapper denkt. Een taalgebruiker zal zich eerder de vraag stellen hoe het verder moet met het Nederlands, terwijl een moedertaalspreker daar de schouders over ophaalt en hooguit aan de wetenschapper vraag hoe het nu verder gaat. (Overigens is de scheiding natuurlijk enigszins arbitrair en lopen de verschillende functies vaak in elkaar over.)

Ik kan de twee visies op taal het beste uitleggen aan de hand van het verschil tussen taalgebruikers en moedertaalsprekers. En ik zal laten zien dat, als we daar goed over nadenken, uiteindelijk blijkt dat de vraag waar het heen moet met het Nederlands eigenlijk precies dezelfde is als waar het heen gaat met het Nederlands. En dat het dus onzin was om voor mij zo’n speciale uitzondering te creëren.


Taalgebruiker en moedertaalspreker


Hoewel dit moeilijk te kwantificeren is, is de term taalgebruiker naar mijn indruk inderdaad vooral populair in de taaladviesliteratuur, terwijl de term (moedertaal)spreker vaker door descriptieve taalkundigen gebruikt wordt. De termen hebben ook evidente equivalenten in bijvoorbeeld het Engels: language user en (native) speaker. In de Schrijfwijzer vinden we bijvoorbeeld de volgende passage, waarin de taalgebruiker tegenover de taalkundige wordt gezet:


De taalgebruiker wil een voorschrift, een norm. De taalkundige kan vanuit zijn beroep alleen maar zeggen: zo zit taal in elkaar. Dit spanningsveld staat bekend als de spanning tussen prescriptie (voorschrijven) en descriptie (beschrijven).


Het woorddeel gebruiker in taalgebruiker suggereert dat de taal buiten de persoon staat: een drugsgebruiker maakt geen gebruik van lichaamseigen stoffen, maar dient iets toe dat van buiten komt. Wat je gebruikt is een onafhankelijk bestaand object, een instrument dat je al dan niet met succes kunt gebruiken. Je zegt bijvoorbeeld niet dat iemand haar ademhaling gebruikt, of haar bloedsomloop. Admhalingsgebruiker of bloedsomloopgebruiker klinken raar; in voorkomende gevallen kun je wel je hersenen gebruiken, of je armen of je benen, maar ook dan zie je die hersenen niet echt als onderdeel van jezelf. Voor mijn gevoel is het zelf dat bijvoorbeeld zijn armen gebruikt een soort lichaamloos zelf, een geest.

Dat objectieve geldt veel minder voor een moedertaalspreker. Die term suggereert eerder dat taal een activiteit is en daarmee een inherente eigenschap van de desbetreffende persoon, en niet een of ander object dat buiten haar staat.


Deels hangt dit verschil tussen de twee termen natuurlijk samen met het door Renkema in het citaat aangehaalde verschil tussen pre- en descriptie. Wanneer je taal ziet als een instrument dat je kunt gebruiken, is het ook zinnig om naar de handleiding te vragen: wat is nu de effectiefste manier om met dit ding om te gaan?

De term moedertaalspreker zit dichterbij de gedachte dat taal ook een natuurlijke eigenschap is van de mens, waarvoor het net zo moeilijk is een handleiding te verstrekken als bijvoorbeeld voor wandelen. Je kúnt dat gewoon, al weet je niet goed hoe je dat moet doen en kun je het nauwelijks aan iemand anders leren.  Activiteiten vallen natuurlijk altijd te trainen, en zodoende kan men ook een geoefende spreker of een ervaren spreker of een goede spreker worden, maar in de eerste plaats laten die adjectieven al zien dat het eerder een kwestie is van praktisch oefenen dan van het bestuderen van een bepaald buiten jezelf staand object.


Bovendien wordt uit deze voorbeelden duidelijk dat er ook wel een verschil is tussen sprekers en moedertaalsprekers. De laatste kunnen niet met dit soort adjectieven gecombineerd worden: geoefende, ervaren of goede moedertaalsprekers van een bepaalde taal, dat klinkt vreemd. Moedertaalsprekers zijn allemaal gelijkelijk geoefend, ervaren en goed: er valt hun niets voor te schrijven; je kunt alleen proberen te beschrijven wat ze doen. Die beschrijving valt dan vervolgens ook niet samen met hun taal – ze is er alleen een afbeelding van. Een activiteit kun je in zekere zin ook niet beschrijven, niet vastleggen, zoals dat wel kan voor een object.

Vandaar dat je een taalgebruiker wel kunt vragen hoe het nu verder moet met zijn taal: dat is een instrument dat hij waarschijnlijk kan verfijnen. Een moedertaalspreker heeft geen boodschap op zijn vraag: die doet wat hij doet, en kan zijn taal net zo weinig veranderen als zijn manier van ademhalen. (Ik zet het beeld een beetje aan voor de duidelijkheid; in werkelijkheid resoneert de taalgebruiker natuurlijk mee in de moedertaalspreker en andersom.)

Het verschil tussen taal als object en taal als activiteit is waarschijnlijk net zo oud als de taalbeschouwing en in ieder geval zo oud als de moderne taalwetenschap. De negentiende-eeuwse Junggrammatiker zagen de taal als een ‘levend organisme’ dat aan verandering onderhevig was, dat dochtertalen kon genereren, enzovoort. Deze manier van zien liet de spreker eigenlijk geheel en al buiten beschouwing liet en zag deze dus in zekere zin als niet veel meer dan een toevallige ‘gebruiker’ van dat organisme. Aan de andere kant beschouwde Wilhelm von Humboldt aan het begin van de negentiende eeuw de taal al primair als menselijke activiteit. (In het Grieks ergon. Ik zeg het er maar bij.)

Het onderscheid werkt nog steeds door in de moderne taalwetenschap. In de studie van de grammatica lijkt mij het grote onderscheid op dit moment dat tussen regelgebaseerde (rule-based) theorieën en zogenoemde gebruiksgebaseerde (usage-based). Van de eerste is de generatieve grammatica al enkele decennia de prominentste vertegenwoordiger; zoals de term generatief in zekere zin al suggereert, wordt taal hierin primair als een activiteit beschouwd. Centraal staat dan ook de grammatica als het systeem dat taal voortbrengt en niet zozeer die taal zelf, die ‘alleen maar’ het product is van die activiteit.

Ook de term gebruiksgebaseerd is veelzeggend: de gebruiksgebaseerde taalkunde ziet de taal als iets dat in ieder geval óók buiten de mens bestaat, en kan worden benaderd in corpora en databases. De gedachte is dat de mens zijn taal vervolgens gebruikt op een probabilistische manier – door statistiek uit te voeren op de gegevens uit ‘de taal’ die ‘gebruikt’ wordt. Ik vermoed dat de gebruiksgebaseerde taalkunde veel dichter staat bij praktische toepassingen als taaladvies, al geldt ook hier weer dat ik natuurlijk ook wel weet dat ik het plaatje tot nu toe een beetje sterk heb aangezet.

Dit is natuurlijk niet de plaats om eens en voor altijd vast te stellen wie er nu gelijk heeft in deze eeuwenoude discussie. Je zou je kunnen afvragen of de twee manieren van kijken niet zo verschillend zijn dat ze nooit verzoend kunnen worden; en je zou je kunnen afvragen of er niet voor allebei de standpunten wat te zeggen valt, en dat er eigenlijk vooral sprake is van begripsverwarring. Dat er iets is dat buiten de mensen staat (en bijvoorbeeld eerder tot de gemeenschap behoort) en dat je taal zou kunnen noemen, terwijl er tegelijkertijd een creatieve menselijke activiteit is die je net zo goed taal kunt noemen – dat betekent niet dat die twee dingen precies hetzelfde zijn, en al helemaal niet dat het ene echt bestaat en het andere niet.


Moedertaalluisteraar


Over de spreker valt overigens nog wel wat op te merken: het woord suggereert dat actief taalgebruik (spreken) belangrijker is dan passief taalgebruik (luisteren).

Dat verschil zit minder duidelijk in het woord taalgebruiker, maar in de praktijk zijn bijvoorbeeld taaladviseurs ook meer bezig met ‘correct’ actief gebruik dan met ‘correct’ passief gebruik. De vraag om een norm luidt altijd ‘hoe moet ik dat zeggen of schrijven?’ en nooit ‘hoe moet ik dat verstaan of lezen? Dat komt natuurlijk doordat men zich richt op het taalobject (de zin, de alinea, de tekst) en men het idee heeft dat de spreker of schrijver daar nog iets aan kan doen, en de luisteraar en de lezer niet. Toch zouden een heleboel traditionele taalvragen ook geformuleerd kunnen worden als vragen van de passieve gebruiker: als er ‘groter als’ staat, wat moet ik daar dan uit afleiden?

Het wordt nog duidelijker bij het woord taalgebruik. Wanneer iemand mij verkeerd begrijpt, is het ongebruikelijk om die ander van ‘incorrect taalgebruik’ te beschuldigen. Je kunt natuurlijk bezwaar hebben tegen de manier waarop iemand luistert, maar dat voelt dan nauwelijks aan als taalkritiek: zo iemand is alleen maar lui of onwelwillend of heeft ADHD. Niemand komt ooit op het idee om een slechte luisteraar op taalles te sturen, terwijl dat wel een gebruikelijke remedie is tegen slecht spreken of schrijven. Zo iemand krijgt hoogstens een behandeling van een psycholoog of pedagoog.

Het geldt ook voor vragen als ‘waar moet het heen met het Nederlands?’ of ‘waar gaat het heen met het Nederlands?’ Niemand komt op het idee dat taalverandering niet alleen betekent dat mensen anders gaan spreken, maar ook dat ze anders gaan luisteren. Niet alleen zullen Nederlandstaligen over vijfhonderd jaar heel anders spreken dan wij; ze zullen ook grote moeite hebben geluidsopnamen die er dan nog van ons zijn te verstaan. Maar terwijl dat eerste de pennen in beweging brengt, wordt dat tweede eigenlijk alleen als een bijproduct beschouwd. (Ook door mij, hoor, daar niet van.)

Op de een of andere manier voelen lezen en luisteren ook veel minder als activiteiten. Feitelijk zijn in ieder geval je hersenen natuurlijk aan het werk als je luistert of leest – ze moeten proberen te decoderen wat de ander heeft bedoeld en dat is niet bepaald een sinecure. Maar het voelt alsof het geen moeite kost, alsof andermans taal rechtstreeks in je binnenste aankomt.

Ik vind deze specifieke aandacht voor het actieve taalgebruik moeilijk goed te verklaren. Feitelijk consumeert iedere mens op aarde waarschijnlijk meer taal dan dat hij produceert, omdat relatief veel taaluitingen door meer dan één partner worden opgevangen. Toch is er in de omgangstaal geen enkel woord dat de aandacht vestigt op dit passieve gebruik van taal: moedertaalluisteraar is een raar, gekunsteld woord. Wie aan taal denkt, denkt aan iemand die taal produceert. Ook in de taalwetenschap is er, behalve in de psycholinguïstiek, waar onderzoek naar perceptie inmiddels behoorlijk bloeit, bijster weinig aandacht voor deze kant van de zaak.

De evolutionair psycholoog Geoffrey Miller heeft er overigens eens op gewezen dat het duidelijk niet primaire evolutionaire bedoeling van taal kan zijn geweest om informatie over te dragen, bijvoorbeeld van de ene generatie op de andere. Als dat zo was, zegt Miller, zou het evolutionaire voordeel liggen bij de luisteraar, die immers de informatie krijgt aangereikt en daar zijn voordeel mee kan doen. Voor de spreker staat daar minder tegenover. Die moet moeite en speeksel verkwisten en krijgt daar eigenlijk niets voor terug. We zouden daarom verwachten dat mensen in groepen allemaal zoveel mogelijk zouden zwijgen totdat er heel af en toe ineens iemand zijn mond opendoet om zich zo pregnant mogelijk te uiten, en iedereen zijn oren spitst om ieder gesproken woord zo snel mogelijk op te zuigen. De menselijke ervaring is bijna omgekeerd: in groepjes strijden vaak meerdere mensen om aan het woord te zijn en dat vervolgens zo lang mogelijk te blijven. Miller gebruikt die observatie als ondersteuning voor zijn gedachte dat taal vooral seksuele selectie dient: we beschikken over bijzonder rijke en flexibele talen om ten overstaan van de andere sekse te kunnen pronken met onze rijke herseninhoud, min of meer zoals een pauw pronkt met zijn grote staart. Of dit nu wel of niet klopt – in ieder geval past onze neiging om passief taalgebruik over het hoofd te zijn ten faveure van actieve taal makkelijk in dit plaatje.

Een mogelijke uitweg uit deze afwijking naar het actieve zou zijn om in plaats van Nederlands spreken te zeggen Nederlands kennen. De nadruk ligt dan niet zozeer op iemands gedrag, als wel op wat hij of zij in hoofd heeft zitten. Die terminologie sluit natuurlijk goed aan op de cognitieve ambities van veel taalwetenschappers. Een probleem daarbij is dan wel dat het moeilijk is om een bijbehorend zelfstandig naamwoord te maken. Nederlandskenner klinkt vreemd, misschien omdat kenner impliceert dat iemand door jarenlange oefening en studie een speciale kennis heeft verworven (wijnkenner, voetbalkenner, Oost-Europakenner) die anderen ontberen.


Moedertaal


De term moedertaal is zelf natuurlijk ook om allerlei redenen belangwekkend. Ze suggereert in de eerste plaats dat ieder individu een bijzondere band heeft met precies één taal  – die van haar moeder, die dus ook maar één taal heeft. Meertaligheid wordt daarmee een lastig begrip, al is het ook niet helemaal onmogelijk: je kunt natuurlijk wel meer dan één moedertaal hebben (als je moeder die heeft). In ieder geval wordt de taal als een min of meer telbare eenheid gezien: je kunt tellen hoeveel talen iemand spreekt, en je kunt bepalen of een bepaalde brok taal wel of niet tot iemands moedertaal behoort. Er duikt in het begrip moedertaalspreker daarmee toch ook wel weer iets op van de taal als object, als een telbare eenheid.

Het begrip moedertaal roept bovendien een andere associatie op die het aandachtsgebied van veel taalwetenschappers onderscheidt van die van de meeste andere mensen: die met natuurlijke taal. Je moedertaal leer je niet op dezelfde manier als waarop je leert rekenen of mogelijk zelfs waarop je later Homerisch Grieks leert: je pikt haar op uit de omgeving en dat is, in ieder geval voor de mens, een ‘natuurlijk’ proces, al kun je natuurlijk eindeloos bakkeleien over de aard van dat proces. (Ik bedoel: je hoeft niet zover te gaan om te menen dat het taalvermogen zelf aangeboren is om het leren van taal toch als ‘natuurlijk’ te beschouwen.)

Om taalwetenschap te bedrijven, is het van belang om aan te nemen dat je onderwerp van studie behoort tot de natuur. Dit onderscheidt onderzoekers die uitgaan van de taal als object bijvoorbeeld niet van hen die uitgaan van de taal als activiteit. Ik haalde al aan dat voor de eersten taal bijvoorbeeld een ‘levend organisme’ kan zijn; onderzoekers uit de tweede groep zien taal vaak als een activiteit die minstens even natuurlijk voor de mens als ander aangeleerd gedrag.
Er zijn maar heel weinig taalkundigen die werkelijk geïnteresseerd zijn in het creatieve gebruik van taal: het feit dat Karel op dit moment beslist om te zeggen ‘waar staat de suiker?’ en niet ‘de suiker? waar staat die?’ wordt door weinig taalkundigen tot onderwerp van onderzoek gemaakt. Het probleem is dat het hier mogelijk gaat om een daad van vrije wilsbeschikking, en als zodanig als iets dat buiten de wetenschap valt - omdat het per definitie niet te voorspellen is (iets wat voorspelbaar is, is natuurlijk geen daad van vrije wil). Het probleem wordt in verschillende takken van de wetenschap op verschillende manieren omzeild. Je kunt bijvoorbeeld een grote groep individuen nemen en daarover statistische voorspellingen doen (die dus weinig zeggen over wat het individu op enig moment zegt of doet), of je kunt je concentreren op het taalvermogen zodat je niet kunt worden vastgepind op wat iemand op een zeker moment zegt.

Hoe dan ook veronderstelt dit alles natuurlijk een heel andere houding tegenover taal dan die van bijvoorbeeld de taaladviseur. Natuurlijke taal overkomt je, er valt weinig aan te doen; en als zodanig heeft ze een heel andere aard dan bijvoorbeeld ‘verzorgde taal’, of ‘effectieve taal’. Dat zijn immers allebei zaken die juist wel veronderstellen dat het individu een bewuste keuze kan maken in zijn taalgedrag.

Ik wil nogmaals benadrukken dat het ook in dezen in mijn ogen niet doenlijk is om te bepalen wie er nu precies gelijk heeft. Het wonderbaarlijke, het interessante van taal is natuurlijk dat het zo dicht op de mens zit, en dat de mens aan de ene kant wordt ingeperkt door de mogelijkheden die de natuur biedt - heel effectief taalgebruik zou bijvoorbeeld weleens via telepathische weg kunnen worden verstuurd, maar dat is de meesten van ons niet gegeven - terwijl hij tegelijkertijd af en toe wel degelijk de keuze lijkt te hebben om zijn eigen gedrag te veranderen.


Nederlandstalige


Die telbaarheid van talen – waartegen bijvoorbeeld Joop van der Horst zich eloquent heeft verzet – komt ook terug in het woord Nederlandstalige (Engelstalige, enz.) Voor het overige is dat woord in vergelijking met taalgebruiker en moedertaalspreker veel neutraler en het verdient daarom in mijn ogen vaak de voorkeur in discussies over dit onderwerp. Het woord Nederlandstalige zegt alleen dat iemand zich verhoudt tot de taal en doet er verder geen uitspraken over hoe deze verhouding precies in elkaar zit.

Doordat het woord een samenstelling is, klinkt er op het eerste gehoor wel een kijk op taal in door: de persoon verhoudt zich niet tot taal in het algemeen, maar tot een specifieke taal (het Nederlands). En dus wordt er verondersteld dat er zo’n specifieke taal bestaat en dat die buiten de spreker staat.

De beste term zou in dat verband eigenlijk zijn: talige, iemand die zich op een bepaalde manier tot taal verhoudt. Je zou daar dan vervolgens alsnog Nederlandstalige (en dergelijke) vanaf kunnen leiden: iemand die zich op de Nederlandse manier tot taal verhoudt. Dat is waarschijnlijk de neutraalste manier die we hebben om te beschrijven wat we bedoelen, zonder er meteen een beeld bij op te roepen van wat taal eigenlijk is en hoe mensen zich ertoe kunnen verhouden.

Er zit wel nog een kantje aan de zaak - wanneer je maar diep genoeg begint te graven in de betekenis van een woord vind je altijd wel wat - en dat is dat het veronderstelt dat er niet-talige mensen zijn. De andere termen die ik hier behandel hebben dat bezwaar natuurlijk ook (Zijn er mensen die wel Nederlands kennen maar de taal niet gebruiken? Of niet spreken?)

Grappig genoeg is het moeilijk om een equivalent in, bijvoorbeeld, het Engels te vinden, omdat er daar geen adjectief te maken is van language. Je moet het daar toch doen met speaker (native speaker, Dutch speaker) of met language user. Language knower lijkt me ook in het Engels vreemd, hoewel to know a language vaker gebruikt wordt dan het Nederlandstalige equivalent.


Waar gaat en waar moet het heen?


Levert deze uitvoerige inleiding in het verschil van manieren om naar taal te kijken nu ook nog wat op voor onze oorspronkelijke twee vragen, hoe het verder moet en hoe het verder gaat met de taal? Ik denk het wel, in ieder geval een beetje.

Eerder dit jaar gaf Jan Renkema een lezing in Leiden op een symposium over de vraag wie er de baas is van de taal, een vraag die natuurlijk alleen gesteld kan worden wanneer men meent dat de taal een object is. Renkema antwoordde toen dat de ‘taalgebruikers’ uiteindelijk de baas zijn van de taal en vertolkte daarmee waarschijnlijk een zeer breed gedeelde consensus in Nederland. Wanneer we nu zijn terminologie wat neutraliseren, betekent dit dat de Nederlandstaligen beslissen over hoe het verder moet met het Nederlands. Een goed democraat vindt dat het zo ook moet gaan - zoals de meerderheid het doet.

De voor mij gereviseerde vraag was hoe het verder gaat met het Nederlands? Die vraag is wetenschappelijk onmogelijk te beantwoorden, omdat het Nederlands in deze visie niet als object bestaat. Er bestaan alleen Nederlandstaligen. De juiste vraag zou dus zijn: hoe gaat het verder met de Nederlandstaligen? Overigens is ook die vraag onmogelijk te beantwoorden – misschien wordt onze hoek van Europa over vijf minuten getroffen door een meteoriet die zo snel op ons afkomt dat hij nooit eerder werd waargenomen, dan bevindt het zwaartepunt van de néerlandophonie zich nog voor Jan Renkema aan zijn afscheid kan beginnen, ineens in Suriname – maar dat is om een andere reden, namelijk omdat we nog niet alles weten, niet omdat de vraag onzinnig is.

Dit alles betekent dat de vraag hoe het verder moet met het Nederlands, en de vraag hoe het verder gaat met die taal, uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. De toekomst van het Nederlands, dat zijn wij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.