Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 23 december 2004

De mooiewoordenindustrie

Toen ik anderhalf jaar geleden met een kraampje op de open dag van het Meertens Instituut stond, wist ik niet wat ik daarmee zou aanrichten. Een keer in de zoveel jaar doet het instituut mee met de zogenoemde wetenschapsdag en stelt de poorten open voor wat we het grote publiek noemen. Dat bestaat overigens voor een aanzienlijk deel uit vrienden, familie en bekenden van medewerkers van het instituut, maar dat maakt de dag er vooral gezelliger op.

Mijn kraampje stond bij de ingang van het instituut, en ik liet de bezoekers niet naar binnen gaan zonder dat ze hun 'mooiste woord' op een strook papier hadden geschreven. Ik had trouwens ook via internet en het tijdschrift Onze Taal zo'n oproep gedaan. Het was het onschuldige jaar 2003, lang voordat een vloedgolf van mooiewoordenwedstrijden ons land zou treffen. Het NIPO, de VRT, de Volkskrant, de Stichting Drentse Taol, de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, de Limburger, Omrop Fryslân: iedereen ging naarstig op zoek naar het mooiste woord in zijn eigen taal.

Nu kun je op verschillende manieren op zoiets reageren. Je kunt er bijvoorbeeld je schouders over ophalen. Of je kunt je er mateloos aan ergeren, zoals Ewoud Sanders deze week deed in NRC Handelsblad die deze mooiewoordentsunami de 'ergerlijkste taalgebeurtenis van 2004' noemde:
al dat geneuzel over het mooiste Nederlandse woord. Gemakzuchtige na-aperij van die Duitse wedstrijd, die ook volslagen onzinnig was (winnaar Habseligkeiten). Als mooiste Nederlandse woorden zijn onder meer aangedragen: vrijen (winnaar bij de Volkskrant), geboorte, geborgenheid, geluk, God, liefde, naastenliefde, respect, saamhorigheid, vakantie en vrijheid. Wat een zoetsappigheid bij elkaar! Het effect zal voor iedereen anders zijn, maar persoonlijk krijg ik na te veel poezelige aaiwoorden zin in een stevige kneukfilm.
Bij mij was het effect inderdaad geheel anders: het riep de koopmansgeest in me wakker. Er zijn nu zoveel gegevens over wat mensen mooie woorden vinden, daar moet een munt uit te slaan zijn. Bijvoorbeeld door een automatische analyse te maken van nieuwe merknamen, om te zien hoezeer ze zullen aanslaan. Door ouders voor te lichten over de schoonheid van de naam van hun boreling. ('Hoe mooier de naam van uw zoon of dochter, des te meer rijkdom, voorspoed en mooie vrouwen hij of zij in zijn of haar leven tegemoet zal zien. U gunt uw kind toch ook het allerbeste?') Of door schrijvers en dichters de weg naar roem en succes te garanderen.

Dus ging ik aan de slag. Dit voorjaar heb ik mensen via een website een testje laten doen. Ze kregen daarbij steeds paren van twee woorden voorgelegd, en moesten een van de twee aanwijzen als het mooiste. Die woorden werden elke keer willekeurig gekozen uit lijsten van mooie én lelijke woorden die mensen hadden opgestuurd. In totaal hebben 2020 mensen meegedaan aan deze test: ze hebben allemaal een andere versie van het formulier gezien.

Omdat die mooie woorden zo'n rage waren, ben ik door journalisten sufgezeurd om de resultaten van die test. Vandaag, op de laatste dag van het mooiewoordenjaar 2004 geef ik ze dan eindelijk, via Neder-L, aan de openbaarheid prijs:


sales 0.04
webstek 0.08
bier 0.10
communicatie 0.12
beters 0.13
kostenplaatje 0.14
gulp 0.15
penhouder 0.15
afwerkplek 0.16
puber 0.16
verdapperen 0.17
goor 0.18
Poldernederlands 0.22
bark 0.23
werkdruk 0.24
slaapgestoorden 0.25
grauw 0.30
tegel 0.31
doei 0.32
vochtig 0.33
schaapachtig 0.38
toko 0.41
neiging 0.44
karwijzaad 0.46
avondrood 0.48
schreeuw 0.49
substantieel 0.49
kroonjuweel 0.50
implementeren 0.51
rataplan 0.52
burger 0.53
barnsteen 0.53
paarlemoer 0.54
emelt 0.55
schoorvoetend 0.57
epibreren 0.59
ereprijs 0.59
dommelen 0.59
bekken 0.63
snoeshaan 0.64
inseinen 0.65
onthutst 0.66
jatten 0.67
kachel 0.68
prijken 0.74
rollebollen 0.75
pandoer 0.76
kerstengeltje 0.76
schorriemorrie 0.78
wulps 0.84
prevelen 0.84
elfenbankje 0.86
genegen 0.86
paaien 0.88
kwakkelen 0.90
adelborst 0.90

U moet deze cijfers als volgt lezen: als men voor het woord sales kon kiezen, deed men dit in 4% van de gevallen. Werd het woord kwakkelen als een van de twee mogelijkheden gegeven, dan koos men in 90% van de gevallen voor dit woord (alle woorden werden ongeveer even vaak aangeboden.) Volgens deze test zijn adelborst en kwakkelen dus het mooist, en sales het minst mooi.

De reden waarom ik deze gegevens aan de openbaarheid prijsgeef, is dat ik achteraf denk dat ik er toch niet zo rijk mee zal worden als ik had gehoopt. Er valt weinig systeem in te ontdekken, of althans, weinig systeem dat niet zo voor de hand ligt dat het moeilijk is om er patent op aan te vragen.

Bij mijn eerste onderzoeken kwam desalniettemin naar voren als het woord dat het vaakst werd genoemd als 'het mooiste'. Ik had daar een hele theorie bij bedacht, die moest uitleggen waarom de klanken in dat woord het zo mooi maakten. Die theorie -- die ik terugvoerde op Roman Jakobson -- behelsde dat klanken voor in de mond (labiale en coronale medeklinkers, voorklinkers) mooier zullen worden gevonden dan achterklinkers en velaire medeklinkers.

Over die theorie kunnen we nu kort zijn. Door het bovenstaande lijstje wordt hij weerlegd. Voor- en achterklinkers, en verschillende soorten medeklinkers staan willekeurig verspreid in deze lijst. Sterker nog, kwakkelen bestaat bijna alleen uit achterklanken en sales alleen uit voorklanken. Uit de klanken valt niks af te leiden.

Toch moet er wel systeem inzitten, anders zouden sommige woorden niet bijna altijd verliezen terwijl sommige andere woorden bijna altijd winnen. Je zou verwachten dat alle woorden een kanspercentage rond de 50 hadden, maar dat is kennelijk niet het geval. Bovendien is het linkerrijtje vrijwel gelijk aan het lijstje woorden dat oorspronkelijk was ingezonden als 'lelijk', terwijl het rechterrijtje bijna helemaal bestaat uit woorden die als 'mooi' waren ingezonden. (Opvallendste uitzondering is het 'mooie' woord verdapperen dat bijna helemaal onderaan eindigde.)

Wie de lijsten met lelijke en mooie woorden vergelijkt, kan zich natuurlijk wel iets voorstellen bij het 'mooi' en 'lelijk'. Sales was bij voorbaat kansloos, omdat het een Engels leenwoord is waarvoor iedereen het Nederlandse alternatief kent (uitverkoop): hoe het woord ook klinkt, het kan nooit winnen. Zoiets geldt ook voor doei, dat nu eenmaal sociaal gestigmatiseerd is. De woorden in de rechterkolom zijn aan de andere kant bijna allemaal 'exclusieve' woorden.

Die exclusiviteit blijkt bijvoorbeeld als we alle woorden opzoeken met Google (achter elk woord staat nu het aantal treffers op 30 december 2004).


communicatie 302000
bier 198000
sales 186000
burger 123000
implementeren 38300
neiging 36900
goor 35600
werkdruk 26400
webstek 23500
doei 21100
vochtig 20200
kachel 19900
tegel 16600
bekken 16100
substantieel 15700
beters 14700
schreeuw 14600
puber 13300
toko 11700
dommelen 7650
grauw 7160
jatten 6120
kostenplaatje 4880
prijken 4200
bark 4050
genegen 3960
schoorvoetend 3710
gulp 3010
paaien 2700
barnsteen 2350
rataplan 2330
avondrood 2280
ereprijs 2210
onthutst 1940
epibreren 1280
kroonjuweel 1240
schaapachtig 1190
rollebollen 998
kwakkelen 950
wulps 904
karwijzaad 864
pandoer 834
penhouder 758
schorriemorrie 741
prevelen 736
afwerkplek 645
snoeshaan 559
adelborst 532
Poldernederlands 442
elfenbankje 394
inseinen 384
paarlemoer 369
kerstengeltje 209
emelt 113
slaapgestoorden 53
verdapperen 38


In de webversie van dit artikel heb ik de woorden die in de 'verkeerde' kolom staan blauwgekleurd: 9 van de 28 hoogstfrequente woorden worden 'mooi' gevonden, en 9 van de 28 laagstfrequente woorden zijn 'lelijk'. Dat betekent dat iets meer dan tweederde van alle woorden volgens deze methode juist geclassificeerd wordt. Wat zeldzaam is, is mooi. Dat geldt voor woorden, en het geldt kennelijk ook voor mooiewoordentesten: als je er te veel van krijgt, komen er stukjes in de krant van mensen die liever naar kneukfilms kijken. Volgens de Google-test staat kneukfilms overigens tussen 'slaapgestoorden' en 'verdapperen'.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

donderdag 21 oktober 2004

Sluit de universiteiten

Als ik een wens mocht doen, zou ik vragen dat de bureaucraten hun werk snel afmaakten en de universiteiten definitief afbraken en ontdeden van alles wat onderzoek en onderwijs prettig kan maken. Dat het eindelijk zo ver was dat er alléén nog beleidsmedewerkers en managers zouden zijn, elke dag van 9 tot 17:30 bezig met bedenken volgens wat voor criteria hun organisatie nu weer tot de internationale top behoort, en hoe de zaken nóg efficiënter gereorganiseerd kunnen worden. Het gaat er toch een keer van komen, dus waarom moet de marteling dan nog twintig, hooguit dertig jaar duren?

In de achttien jaar dat ik het universitair bedrijf min of meer van buiten beschouw -- als student, aio, postdoc, collega-onderzoeker, maar zonder er ooit in vaste dienst te zijn geweest -- is er sprake van bezuinigingen, reorganisaties, veranderingen in het studieprogramma, veranderingen in de organisatie van het onderzoek. Alleen al in ons hoekje van het wetenschappelijk bedrijf moeten er duizenden manjaren zijn heengegaan aan vergaderen over hoe alles strak gepland kan worden, zonder nodeloos tijdverlies. Ik heb heel goede mensen zien vertrekken van de universiteit omdat er geen werk voor ze was. Ik zie dat er nu weer uitstekende collega's ontslagen dreigen te worden. Maar altijd gaat het in discussies over de vraag: waarom zij wel, en niet een andere onderzoeker, of een andere docent? Nooit over: waarom niet al die personen die zogenaamd het onderzoek ondersteunen, maar van wie iedereen weet dat ze alleen maar tot last zijn, dat ze nog nooit enig onderzoeker bureaucratisch werk uit handen hebben genomen, maar er in tegendeel voor zorgen dat er almaar meer formulieren moeten worden ingevuld, meer beleidsnota's moeten worden geschreven, meer verantwoording moet worden afgelegd?
 
Ik begrijp niet hoe een bureaucraat denkt. Het zijn door de bank genomen vast heel brave mensen die af en toe een attentie mee naar huis nemen voor hun partner en af en toe geld gireren aan een goed doel. Er zijn wel een paar dingen die ik weet. Zo is het goed als je als bureaucraat mensen 'onder je hebt'. Wat die mensen precies doen, maakt niet zo veel uit, als je ze maar onder je hebt. Zelf moet je die mensen dan 'aansturen', ook als je geen enkel idee hebt over wat ze doen. Als je ze niet aanstuurt, dan doen ze namelijk zomaar wat, en dat is het ergste wat er is. Om zoveel mogelijk mensen onder je te hebben, is het belangrijk dat je resultaten laat zien. Resultaten zijn dingen die in cijfers kunnen worden uitgedrukt (deze onderzoeker heeft dit jaar 2 artikelen gepubliceerd, ter waarde van gemiddeld 8,34 Europese richtsnoerpublicatiewaarde). Wat niet kan worden omgezet in een getal, is onbelangrijk -- u kunt wel zeggen dat u hard gewerkt hebt, maar u kunt wel zoveel zeggen. Een bureaucraat doet alleen maar dingen die getallen opleveren. Heel hoge getallen. Topgetallen.

Ik begrijp wel hoe het werkt bij de onderzoekers. De bureaucratisering is in de loop van enkele decennia sluipenderwijs gebeurd. Er was niet in één keer een afdeling met vijftien kwaliteitscontroleurs, nee, eerst begon een ambtenaar dat er bij te doen. En wie durft er te zeggen dat hij tegen kwaliteitscontrole is? Al snel bleek die ene ambtenaar echter zo goed dat hij het verdiende mensen onder zich te krijgen. Nou ja, wie zal dat bestrijden. Zo raken we langzaam gewend aan de waanzin. Zo gewend dat het bij de nieuwe bezuinigingsronde bij niemand opkomt om te zeggen: 'wacht eens even, waarom zouden we een ervaren onderzoeker van het werk van Conrad Busken Huet (ik noem maar wat) ontslaan, ook al schrijft hij slechts een keer in het jaar een artikel in een internationaal tijdschrift en trekt hij maar weinig studenten, als we ook nog altijd vijftien kwaliteitscontroleurs eruit kunnen gooien? Bijvoorbeeld omdat zij *nooit* een artikel schrijven en *nul* studenten trekken? Of men ziet dit allemaal wel, maar heeft besloten dat dit toch een hopeloze onderneming is. Beter een collega-wetenschapper bestrijden dan de bureaucraten, die inmiddels toch wel de macht hebben.

Maar het is toch wel goed dat er nu beter op de kwaliteit wordt gelet? Vroeger werd er toch ook heel slecht college gegeven? En toen waren er toch ook onderzoekers die de godganse dag niks uitvoerden en maar een beetje in de krant zaten te lezen? Om met dat laatste te beginnen: het geld lijkt mij beter besteed aan een onderzoeker die maar een beetje de krant zit te lezen dan aan de lease-auto van een beleidsmedewerker die de hele dag vlijtig doende is. Maar verder geloof ik niet dat de kwaliteit door alle kwaliteitscontrole beter is geworden. Ik was vijftien jaar geleden heel tevreden over het onderwijs dat ik in Leiden en Tilburg heb genoten, zonder dat ik ooit een evaluatieformulier heb ingevuld. In de tweede plaats zijn eventuele verbeteringen naar mijn indruk vooral ontstaan doordat onderzoekers zelf meer zijn gaan letten op dit soort dingen, doordat de onderlinge druk om je best te doen is toegenomen. Van belang daarvoor is weer vooral een goede collegiale sfeer en die bereik je niet met beleidsondersteunende maatregelen.

De situatie stemt zo treurig dat je eigenlijk alleen nog maar kan hopen op een totale Verelendung, dat het apparaat zo log en traag wordt dat het knarsend vastloopt, en dat er een dag komt waarop de onderzoekers en de docenten zeggen: maar wacht eens even, het kan toch ook zonder al die ondersteuning! We hebben toch niet veel meer nodig dan een klaslokaal en een schoolbord om onderwijs te geven, en een kamer met boeken en een computer voor ons onderzoek. Als dat alles niet kan op de internationale topuniversiteiten in ons land, waarom beginnen we dan niet een eigen instelling die weliswaar niet aan de allerhoogste kwaliteitsnormen voldoet, maar waarin iedereen zijn best doet om kennis te verwerven en overdragen en daar nog plezier aan beleeft ook?



dinsdag 28 september 2004

Google-roem

Wilt u ook eens op de televisie uw mening geven over de nieuwe spelling? Ja hè, lezer, dat lijkt u wel wat. Of op zijn minst wilt u geïnterviewd worden door De Twentsche Courant Tubantia. Of desnoods iets vertellen voor de Utrechtse studentenradio. Ik bied hulp: begin een website, en zet daar uw artikelen op. Of anders foto's van uw collega's, of wat opruiende teksten tegen de Nederlandse Taalunie. Rijkdom en roem worden uw deel.

Het is mijn strategie nu alweer een jaar of acht. Ik wilde leren om een website te maken, en het materiaal dat het makkelijkst voorhanden was, had ik zelf geschreven. Google bestond nog niet, maar er waren al wel zoekmachines zoals AltaVista en HotBot (tot mijn verbazing merk ik dat zelfs die laatste nog steeds bestaat; zou er nog iemand zijn die er wel eens iets in opzoekt? Ach, de gelukkige dagen toen ik die website ontdekte. Voorbij.) Daar meldde ik mijn pagina's aan, en wachtte wat er ging gebeuren.

Die zoekmachines werden toen in de journalistiek nog niet algemeen gebruikt. Alleen journalisten die over computers schreven tikten wel eens wat in. Nu kwam dat goed uit, want omdat de taalkunde mij niet wilde hebben, schreef ik toen zelf als freelancer zelf over computers en over internet. Het curieuze is dat sommige van de stukjes die ik toen schreef nog steeds elke dag ettelijke malen worden geraadpleegd door deze of gene, hoewel de meeste volkomen achterhaald zijn. Ik heb bijvoorbeeld in 1997 een artikeltje geschreven over Europese kranten op het web dat meldt dat het Algemeen Dagblad 'nog niet' op internet staat en verder allerlei links bevat naar websites die allang niet meer bestaan. Dat stukje is deze maand (september 2004) ongeveer 150 keer nageslagen. Sowieso bestaat vrijwel de hele top-10 van mijn privé-website (die sinds vier jaar op het adres www.vanoostendorp.nl te vinden is) vrijwel uitsluitend uit stukjes die ik meer dan zeven jaar geleden geschreven heb over technologie die iedereen inmiddels vergat (u kunt die top-10 zien op de statistiekpagina van mijn website: www.vanoostendorp.nl/statistiek.php.

Toch worden recentere stukjes ook wel gelezen. Dat merk ik door de telefoontjes van de pers. Vroeger had een beetje journalist, zo stel ik me voor, een goede rolodex waarin hij namen had van deskundigen die over allerlei onderwerpen iets kunnen vertellen. Tegenwoordig heeft zo'n journalist Google, en als hij een itempje wil maken over het gebruik van dialect in de reclame, tikt hij 'dialect reclame' in en ontdekt vanzelf wie de expert is op dat gebied: http://www.google.com/search?hl=en&ie=UTF-8&q=dialect+reclame+&btnG=Google+Search. Niet omdat die zelfbenoemde expert er nu zoveel van weet, maar omdat hij er jaren geleden iets over op het internet heeft gezet.

Die roem blijft overigens niet beperkt tot de journalisten. Een collega-neerlandicus vertelde me onlangs dat geen enkel artikel van hem zo vaak werd geciteerd als een artikel in het roemruchte tijdschrift Neerlandistiek.nl. Ook steeds meer vakgenoten gaan nu eenmaal af en toe op zoek op het internet, en de kans dat ze op een artikel stuiten dat in een sjiek internettijdschrift als het genoemde verschijnt is groter dan de kans dat iemand na vijf jaar uw artikel nog vindt als het is begraven in de jaargangen van een papieren periodiek.

Het kan een paar jaar duren, dus op het moment dat u dit leest, is het waarschijnlijk 2011, lezer. Misschien bent u een journalist die een itempje moet maken over Google-roem. Stuur mij maar een mailtje, dan vertel ik u er alles over, deskundig als ik ben op ook dit gebied. Misschien bent u ook wel een vakgenoot. Dan lijkt het me hoog tijd dat u nu ook eens een eigen website neemt.

Marc van Oostendorp.




donderdag 25 maart 2004

Weinig meer dan een nederig medium. Over Mark Boog

In de zomer 2001 verscheen een recensie van de eerste roman van Mark Boog, De vuistslag, in De Groene Amsterdammer. Die recensie was positief en maakte nieuwsgierig, hoewel er aan het boek allerlei eigenschappen werden toegedicht die mij normaal gesproken niet onmiddellijk mijn lessenaar doen uitklappen. 'Mark Boog weet de objecten in de kamer op bijna surrealistische manier tot leven te wekken', vertelde de recensente bijvoorbeeld, en: 'er is nauwelijks een plot', en: 'het is moeilijk zo niet onmogelijk om je met deze fascistoïde figuur [van de hoofdpersoon] te identificeren'.

Toch wilde ik door de voorbeelden die de schrijfster gaf wel wat meer over deze jonge schrijver weten. Ik tikte zijn naam in bij Google, en vond zijn eigen website op <http://www.markboog.nl/>, met onder meer het volgende:
Inspiratie
Men gaat naar de bakker en men zegt: 'Een halfje wit, graag.'
Men had kunnen zeggen: 'Mag ik van u een half gesneden wit?',
of: 'Een half witbrood, en snel!', of: 'Heeft u voor mij
een halfje van uw niet onterecht beroemde wittebrood, bakker?'
Dat had men allemaal kunnen zeggen, maar men zegt, onvoorbereid,
als uit het niets: 'Een halfje wit, graag,' en zie: het werkt!
Ineens was het daar! Het moest precies zó zijn, dat wist men meteen!
Het bestond al, hing in de lucht, het gebruikte ons slechts om
ter wereld te komen, wij zijn weinig meer dan een nederig medium!


Ik had geen idee wat andere mensen van zijn werk vonden - maar ik meende dat op basis van dit gedicht aan Mark Boog onverwijld alle literaire prijzen moesten worden uitgereikt die er maar bestaan en dat hem van overheidswege alle middelen worden aangereikt zodat hij voort zou blijven schrijven. Mij was elk woord dat hier staat volkomen uit het hart gegrepen. Ik wist meteen: van Mark Boog ga ik elke snipper lezen die ik vinden kan.

  Dat heb ik sindsdien ook gedaan, want er zijn geen moderne Nederlandse schrijvers bij wie ik me zo om elke alinea kan verheugen. Ik ben nog geen bladzijde van hem tegengekomen die me verveelde.

Nu zou je over het gedicht 'Inspiratie' nog kunnen zeggen dat het een voor de hand liggende keuze is voor een taalkundige, omdat het onder andere gaat over het wonder van het alledaagse taalgebruik: je staat bij de bakker en beslist binnen een fractie van een seconde hoe je je wens formuleert. Bovendien 'werkt' die wens: je hebt invloed op de werkelijkheid. Iedere mens is een dichter! Ja, dat hoort een taalkundige natuurlijk graag.

Maar neem nu het begin van Boogs tweede roman, De warmte van het zelfbedrog:
Ik verliet het huis in verwarde toestand. Zo heet dat. Ik trok de deur met mijn linkerhand achter mij dicht en keek gejaagd rond. Niemand wist dat ik om andere redenen dan een simpele boodschap mijn woning verliet, maar misschien was het me aan te zien. Men weet al niet wat men van zichzelf moet denken, hoe dat met anderen zit is principieel onkenbaar. Voeg daarbij de natuurlijke drang van verraad van de mens en het wordt duidelijk dat het zaak was mij zo onopvallend mogelijk te gedragen -- wat overigens altijd geldt, zodat speciale aanpassing van mijn gedrag aan de omstandigheden niet noodzakelijk was. Een goed begin.
Het heeft geen enkele zin om hetgeen volgt samen te vatten ('er is nauwelijks een plot'): de ik-persoon komt in een dorp terecht, beleeft daar wederwaardigheden die onder andere een bordeel, een dorpsplein, een bierfeest en een restauranthoudster betreffen, en gaat weer weg als hem invalt dat hij thuis warm onthaald zal worden. Net als in het gedicht wordt in dit boek herhaaldelijk en uitvoerig stilgestaan bij het wonder van de gelukte bestelling.

  Nu kan men wel weer tegenwerpen dat de allebei de romans van Boog kennelijk over verwarde, om niet te zeggen fascistoiïde personen handelen en de lezer van Neder-L weet natuurlijk niet in welke geestestoestand ik me momenteel bevind, dus misschien ligt identificatie ook hier weer voor de hand. Maar ik denk dat het om iets anders gaat: de verhalen en zelfs de onderwerpen van de gedichten zijn alleen maar nodig om de kleine, laconiek-wanhopige observaties te berde te kunnen brengen. Die waanzin van de hoofdpersoon is daar volgens mij uit te verklaren: iemand die helemaal goed snik is, heeft niet nu eens een rake formulering over dit onderwerp, en dan weer over dat. De verwardheid van de hoofdpersoon is alleen maar een vrij doorzichtige truc om van alles en nog wat aan elkaar te kunnen praten.

Ik denk als ik eerlijk ben ook niet dat het werk van Boog tot nu toe wereldliteratuur is, al zou het me niet verbazen als mijn favoriete auteur nog eens een boek schrijft dat in alle landen van de wereld verplichte kost wordt op de middelbare scholen. Tot die tijd is het privéliteratuur van een auteur die ik persoonlijk niet ken. In het bijzonder klinkt er een toon die ik herken: zo praten sommige van mijn beste vrienden al sinds ik volwassen ben. Bij oudere of jongere mensen hoor ik die toon niet. Het maakt me daarom ook niet zoveel uit wat andere mensen ervan vinden, het is alsof elke zin die Mark Boog neerschrijft, moeiteloos mijn levensmotto zou kunnen zijn, al kan ik er niet goed achterkomen waarom dat zo is.

Voor zover ik de recensies heb gevolgd, was men zeer enthousiast over de eerste bundel Alsof er iets gebeurt en de eerste roman De vuistlag, maar minder over de tweede bundel Zo helder zagen we het zelden en de tweede roman De warmte van het zelfbedrog omdat men vond dat Boog in een maniertje dreigde te vervallen. Over de derde bundel, Luid overigens de noodklok is men weer algemeen enthousiast, en dat is ook volkomen terecht, want in deze bundel zijn de pareltjes ook nog eens ingebed in een sterkere structuur dan het vroegere werk. De afdeling 'Zout' laat alle associaties die dat woord heeft aan de orde komen: van 'Omvangrijke zoutlagen in deze grond: de mijn dient gebruikt' tot en met:
Zoals ik me vasthou aan de schaal zoutjes,
zo draag jij haar. Zoals jij de glazen ledigt,
zo ledig ik mijzelf.
En alles is goed, want eindigt.
(Het aller-, allermooist van deze bundel en misschien wel van het hele oeuvre tot nu toe vind ik die t in eindigt.) Bovendien bevat de bundel een prachtige bewerking van het bijbelse Hooglied, want omdat hij zo goed kan kijken en formuleren, is Boog ook nog een echte liefdesdichter.

  De toon van Boogs proza is wel vergeleken met die van Gerard Reve, maar dat is alleen maar oppervlakkig waar. De overeenkomst is dat de hoofdpersoon zijn omstandigheden de hele tijd benoemt in een formele taal om zo zijn angsten te bezweren. Maar mij doet die toon veel meer denken aan de theatrale versie van die plechtige wanhoop, met name die van Herenleed van Armando en Cherry Duyns. Als een priester de hoofdpersoon waarschuwt dat hij met geweld verwijderd zal worden van het kerkterrein waar hij kampeert, gebeurt het volgende:
'U schertst!' lachte ik, terwijl ik olijk knipoogde. 'Ik breng hier slechts enkele nachten door, omdat een mens nu eenmaal moet slapen. Zonder tent, zult u vragen, en inderdaad: zonder tent. Ik begrijp niet waar u zich mee bemoeit. Of een mens in een tent slaapt of niet, dat moet hij toch zelf weten? Zelf ben ik zeer begripvol ten opzichte van andere mensen: ik begrijp dat ze angsten hebben die ik niet begrijp en dat ze plezier scheppen in zaken die verre van lollig zijn, maar ik zal ze niet snel veroordelen. Althans niet hardop. U kunt daar wat van leren!'
Dat lijkt me een tekst die 'Heer 1' en 'Heer 2' samen ook zouden kunnen uitspreken — personages waarop de termen 'in verwarring' en 'fascistoïde' eveneens van toepassing zijn. Dat andere mensen plezier scheppen in zaken die verre van lollig zijn, lijkt me overigens een adequate samenvatting van deze wereld. De rol van de schertsende priester zou vervuld kunnen worden door Johnny van Doorn:
'Met tent mag het ook niet. U bent een landloper,' zei de pastoor onaangedaan.
De vuistslag heeft deze toon overigens veel minder. Hij is niet helemaal afwezig, maar dan veel Reviaanser ('De verveling, mits kortstondig genoten, is een zegen [...] De verveling is de pauze tussen de gangen, wekt de eetlust op. Ze geeft de mogelijkheid tot bezinning. Je kunt het laatstgenotene nog eens beschouwen, en beoordelen, en je kunt je voorbereiden op het volgende.'). Misschien komt de toon van mijn vrienden ook wel van Herenleed, dat immers werd uitgezonden toen we tussen twaalf en vijftien jaar oud waren, een ontvankelijke leeftijd. Gerard Reve was toen een oudere man die werd verweten dat hij zichzelf herhaalde. Ik ben helemaal geen bewonderaar van Herenleed, maar misschien is de invloed van dat tv-programma wel groter op de mensen om mij heen dan ik weet.

  Er is nog een aspect van Boogs werk dat ik noemen wil: zijn publicaties op het internet. De dichter heeft een eigen webpagina die er oerlelijk uieowel eerder gepubliceerd als gloednieuw (althans, in september was het gloednieuw) materiaal.

Nog mooier is de website Poetry in motion, die kennelijk gemaakt wordt door een vriend van Boog. Hier worden veel gedichten in een videoclip getoond en geïllustreerd; dat geldt onder andere voor de al genoemde cyclus 'Zout'. Ook is de dichter aan het werk te zien op zijn eigen webcam. Ik ga er af en toe kijken om te bekijken of er nog nieuwe levensmotto's in de maak zijn. De dichter wuift me dan welwillend toe. Er komt vast nog meer.

Verwijzingen

  • Website Mark Boog: http://www.markboog.nl/
  • Poetry in Motion: http://www.poetryinmotion.nl/
  • Webcam Mark Boog: http://www.poetryinmotion.nl/poetry-html-def/webcam.html
  • Interview met Mark Boog door Remco Ekkers: http://home.planet.nl/~ekker036/interviewmarkboog











  • maandag 19 januari 2004

    In ons leven is het minder eenvoudig. De wederkomst van het onderwaterscherm

    Wie na 1980 geboren is, of voor 1940, kent het woord waarschijnlijk niet eens, maar bij veel mensen die tien jaar geleden ook al een computer gebruikten zorgt het voor een dromerige blik: ach ja, hetonderwaterscherm!

    Tot een jaar of twaalf geleden gebruikte elke computergebruiker in Nederland hetzelfde tekstverwerkingsprogramma - op elk bureau zag je WordPerfect staan. Twee versies hebben vooral een grote verspreiding gehad: versie 4.2 en versie 5.1. Toen besloot Microsoft dat het genoeg was: met een enorme commerciële overmacht zorgde het ervoor dat binnen een paar jaar iedereen op cursus moest om de oude commando's af te leren en in plaats daarvan te leren hoe het moest in Microsoft Word. De eerste versies van dat programma konden ook nog makkelijk WP-bestanden lezen en zelfs schrijven, zodat je nog wel kon samenwerken met de domoor die bij de concurrent bleef tiepen. Na een tijdje was dat ook afgelopen: inmiddels weet niemand beter dan dat de woorden 'tekstverwerker' en 'Word' synoniem zijn.

    Het onderwaterscherm is daarbij geheel verdwenen, want hoewel Word in veel opzichten duidelijk een kopie was van WP, en in sommige opzichten ook een verbetering, zag Microsoft geen emplooi voor dit snufje. In WP kon je je scherm in tween verdelen: boven zag je de tekst min of meer zoals hij er opgemaakt uit zou komen te zien, en onderin zag je alle codes die het programma had ingevoegd. Had je bijvoorbeeld het woord man cursief gemaakt, dan zag je onderin het scherm zoiets als [cursief]man[einde cursief]. Veel mensen die intensief tekstverwerkten, keken vaak naar dat onderwaterscherm, bijvoorbeeld om te zien of er geen 'vuile' opmaak in de tekst kwam te staan - opmaak die niets deed, zoals in de zin de man [cursief][einde cursief] kijkt verbaasd. Je had een rustig, kaal computerscherm zonder toeters en bellen waarop je precies kon zien wat je aan het doen was.

    Wat je ook verder van Word-bestanden kunt zeggen, ze zijn in ieder geval ongenaakbaar. Je ziet op je scherm vrij nauwkeurig hoe de pagina eruit komt te zien, maar rustig is dat scherm geenszins, en welke opdrachten je allemaal hebt gebruikt om die pagina er zo uit te laten zien, kun je nooit meer achterhalen. Een tijdje geleden vertelde de columnist Hans Ree op de radio dat hij om die redenen zijn WP 5.1 voor DOS altijd trouw is gebleven, hoeveel problemen dat hem in de loop van de tijd ook had bezorgd bij het inleveren van zijn stukjes. Hij vertelde trouwens ook dat de schrijver Tim Krabbé ook bij zijn oude tekstverwerker was gebleven, maar om een andere reden; hij had ooit zoveel tijd gestoken in het bedenken van allerlei macro's om het schrijven sneller te maken, dat hij die macro's nog zeker enkele tientallen jaren moest gebruiken wilden ze hem inderdaad een netto tijdwinst opleveren.

    Op internet zijn wel meer lofzangen te vinden op het onderwaterscherm. Wie nog terugverlangt doet dat meestal vanwege dat scherm. Er zijn zelfs filosofische beschouwingen aan gewijd:
    In onze tekstverwerker drukken we op F11 om de toegevoegde codes zichtbaar te maken. Daarmee krijgen we de opmaakproblemen duidelijk. Maar in ons leven is het minder eenvoudig, alleen al omdat er verschillende lagen zijn in het onderwaterscherm.
    (http://users.ncrvnet.nl/gjhardeman/onderwat.htm)
    In de tijd dat iedereen naar Word overstapte, stapte ik over naar het tekstverwerkingssysteem LaTeX (spreek uit: laa-tech), omdat iemand me ervan had overtuigd dat je daar veel gemakkelijker fonetische tekens in kon afdrukken, dat je daar volkomen automatisch bibliografieën in kon maken, en dat je er automatisch voorbeelden in kon laten nummeren. En dat het hele systeem werkte volgens het principe van het onderwaterscherm: je kon de hele tijd precies zien welke codes je invoegde, je kon die codes ook naar hartelust veranderen, enzovoort. Nou, dat wilde ik ook wel, en zo schreef ik mijn proefschrift in LaTeX.

      Aan de voordelen van dat systeem zaten ook wel grote nadelen. Het grootste was misschien wel dat ik helemaal geen 'bovenwaterscherm' had. Ik kon wel alle codes intikken, maar mijn computer thuis was niet krachtig genoeg om die codes vervolgens te vertalen naar een opgemaakt bestand. Om te zien hoe de pagina eruit zag, moest ik de tekst op een floppy zetten, deze meenemen naar de universiteit, daar de tekst overzetten op een van de 'werkstations', daar een paar programma's aanroepen, en dan kreeg ik een opgemaakt bestand. Hoe dat eruit zag kon ik eigenlijk alleen maar zien door het naar de printer te sturen.

    Die complexiteit was een reden om LaTeX aan de wilgen te hangen nadat ik mijn proefschrift had afgemaakt. Een andere reden was dat uitgevers vaak geen raad wisten met de bestanden die ik had gemaakt. En zo raakte ik alsnog in gevecht met Word, de onzichtbare codes die dat programma voortbracht, en het onvoorspelbare gedrag dat daar het gevolg van was (tabellen die om onverklaarbare redenen ineens oneindig lang werden; teksten die je net binnen de door de redactie gestelde limiet van twaalf pagina's had gebracht, en die ineens dertien pagina's lang werden als je een zin weghaalde, enz.) En nog een reden was, dat ik op het Meertens Instituut kwam te werken, en daar hadden ze alleen Apple Macintosh, en de LaTeX-programma's voor dat systeem bevielen me niet. (Word kreeg overigens in de laatste versies ook een soort van onderwaterscherm, maar voor de ware liefhebber was dat toch niet wat je wilde: veel van de codes bleven onbegrijpelijk, en sommige codes worden waarschijnlijk ook helemaal niet getoond.)

    Sinds een paar jaar is het systeem van Apple echter helemaal veranderd, en sinds een paar maanden heb ik een laptop waar dat nieuwe systeem opzit. En dat nieuwe systeem, daar zit onder de motorkap precies dezelfde techniek die de computers op de universiteit vroeger hadden (Unix of Linux, voor wie dat wat zegt).

    En zo heb ik ineens weer een onderwaterscherm. Omdat de techniek in de tussentijd vooruitgegaan is, kunnen LaTeX-bestanden automatisch worden omgezet in pdf-bestanden, een formaat dat je makkelijk op je scherm kunt bekijken, en dat bovendien kan worden uitgewisseld met andere computers via het Internet. Die omzetting naar pdf gaat zo razendsnel dat ik op mijn beeldscherm twee vensters naast elkaar heb: één met het onderwaterscherm, waarin ik werk, en één met het bovenwaterscherm - het resulterende pdf-bestand. Er zijn ook programma's die het mogelijk maken om een pagina te vertalen naar opmaak voor het web, en zelfs van en naar Word-bestanden. LaTeX is gratis (en bestaat tegenwoordig overigens ook in mooie versies voor Windows-computers). Je moet er wel een paar codes voor leren, maar heel ingewikkeld zijn die niet. Mij pakken ze mijn onderwaterscherm niet meer af.

    Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

    Om de helderheid van LaTeX-onderwaterbestanden te demonstreren, heb ik een (becommentarieerde) LaTeX-versie en het resulterende pdf-bestand op de Neder-L-site geplaatst:
    - LaTeX-versie: http://www.neder-l.nl/bulletin/2004/01/onderwaterscherm.tex
    - pdf-versie: http://www.neder-l.nl/bulletin/2004/01/onderwaterscherm.pdf