Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 25 december 2002

GLKKG NWJR ;-)

Oudejaarsnacht wordt een nieuwe mijlpaal: ik ga voor het eerst een sms'je sturen aan iemand die me na is, met de beste wensen. Ik heb mijn mobiele telefoon nu ongeveer twee jaar, en stuur ook al een paar sms-berichtjes per week; maar op oudejaarsavond heb ik nog nooit contact gehad met iemand die buiten gehoorsafstand was.

Het is leuk speculeren over de invloed die alle nieuwe communicatiemiddelen hebben op onze manieren om te communiceren, en misschien zelfs op ons taalgebruik. Dat mensen een mobiele telefoon op een andere manier gebruiken dan een gewone huiskamertelefoon, lijkt me duidelijk. Maar hoe moet je dat verschil begrijpen? Waarom wordt die telefoon op een andere manier gebruikt?

Je hoort weleens dat er allerlei nieuwe communicatievormen ontstaan. Dat het taalgebruik indikt bijvoorbeeld, dat mensen kortere woorden en zinnen gaan maken door de sms bijvoorbeeld. De bijbel is in Engeland bijvoorbeeld vertaald in 'sms-taal' omdat de jongeren beter zou aanspreken. (De tien geboden: "God: I'm No.1. No pix, plz. Uz my name nicely. Day7holy. Take care of mum'n'dad. Don't kill, scrU round, steal or lie. Keep yr hands (&eyes) off wot isnt yrs!")

Ik voel meer voor de gedachte dat de nieuwe communicatiemiddelen vooral oude vormen van communicatie mogelijk maken. Oudere communicatiemiddelen zorgden vooral voor allerlei belemmeringen die je 'onnatuurlijk' zou kunnen noemen. Neem de klassieke brief. Je verkeert ongelukkigerwijze op grote afstand van een persoon die je desalniettemin een aantal dingen wilt mededelen. Je gaat zitten, schroeft de dop van de vulpen, en noteert de datum en de plaats waar je je bevindt. Vervolgens vloeien allerlei syntactische bouwwerken uit het gouden puntje, welke zich op hun beurt voegen in alinea's en betogen. Deze vouw je ten slotte op, en voeg je in een envelop, waarop je een portret van het staatshoofd plakt.

Of neem het telefoongesprek. Je moet hoognodig iemand spreken en zoekt daartoe diens naam op in een dik boek; je vindt achter die naam een nummer dat je draait met een hardplastic schijf. De ander zegt als hij welopgevoed is eerst zijn naam, omdat je de kans loopt dat je het verkeerde nummer hebt gedraaid. Vervolgens kom je zo snel mogelijk terzake, want je bevindt je in huiselijke kring.

Hoe ver ligt dat af van de manier waarop mensen al tienduizenden jaren hun taal gebruiken! Je ziet iemand in je blikveld en je begint met die persoon te babbelen. Je gaat je niet uitgebreid voorstellen, want je kent elkaar al en je ziet elkaar. Je bereidt je ook niet voor op dat gesprek, noch doe je speciaal de moeite om 'zinnen' te maken, of zelfs om de hele tijd nuttige informatie uit te wisselen. Je kletst maar wat.

Neem de radio, de film en de televisie. Er wordt daar misschien naar hartelust gepraat en gebabbeld. Maar je zit erbij en kan niks terugzeggen; je kunt niet eens applaudiseren als er iemand iets heel waars zegt.

Oude communicatiemiddelen wierpen veel te veel barrières op voor normaal taalgebruik. Mensen maakten er het beste van, daar niet van; en het heeft soms prachtige resultaten opgeleverd: literatuur, films en hoorspelen. Maar de technische ontwikkeling in de afgelopen honderdvijftig jaar - van telegraaf naar sms, van bakelieten toestel naar Nokia - kan het best gezien worden als een opheffen van al die rare belemmeringen. Je kunt nu gemakkelijk babbelen met mensen die wat verder weg zijn op precies de manier waarop mensen al eeuwen babbelen. Je hoeft niet meer zo lang van stof te zijn, en zo overdreven expliciet. Een half woord volstaat, net als in een normaal gesprek. En als het niet volstaat, kan een blik nog wel eens helpen (';-)').

Het zijn niet de communicatiemiddelen die het taalgebruik veranderen. Het is het natuurlijke taalgebruik dat bepaalt welke nieuwe communicatiemiddelen succesvol zullen zijn. Het zal mij benieuwen wat het nieuwe jaar weer zal brengen.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/







zondag 10 november 2002

De nederlandse spellingchaos

Nederlanders en Vlamingen zijn volgzame volkjes en Harry Mulisch zegt soms wel eens iets verstandigs. Dat zijn de twee conclusies die zich elke keer weer opdringen als NRC Handelsblad taal tot een voorpaginaonderwerp maakt. Dat doet die krant namelijk alleen als er iemand iets over de spelling heeft gezegd.

Als er dan geen wereldkampioenschap voetballen is, ontpopt zich de dagen erna altijd dezelfde discussie. Daarin zijn dan twee kampen te onderscheiden, die naar mijn smaak allebei onzin verkopen. De ene groep vindt dat we de spellingregels moeten laten zoals ze nu zijn. De andere groep vindt dat we de spellingregels moeten veranderen – ofwel terugbrengen naar een oude vorm, ofwel een geheel nieuwe vorm moeten geven. Volgens mij moeten spellingregels worden afgeschaft: we kunnen best zonder overheidsinterventie op dit punt.

De jongste spellingdiscussie ontstond deze maand doordat de Vlaamse minister van cultuur Van Grembergen had gezegd dat hij vond dat de regels over de tussen-n moesten worden teruggedraaid. Vervolgens barstte er een hele discussie los, althans, er kwam een stroom monologen op gang, allemaal over de vraag hoe de regels er precies moesten uitzien en wiens schuld het was dat die regels nog niet hun goddelijke ideale staat hadden bereikt. Journalisten begonnen aan allerlei mensen die in hun kaartenbakje zaten onder het lemma 'spelling' maar weer eens te vragen wat ze eigenlijk vonden van de spelling.

Een aantal regionale kranten publiceerde dit keer een stuk waarin allerlei schrijvers hun zegje mochten doen over deze kwestie. Daar kon je van alles uit leren. Ako-prijswinnaar Allard Schröder meldde bijvoorbeeld: "Ik gebruik nog altijd het Groene Boekje uit 1954. Mijn redacteur heeft het maar te pikken dat ik op de oude manier spel."

Zo'n uitspraak, daar kan ik met mijn verstand niet bij: waarom zou iemand in het Groene Boekje van 1954 opzoeken hoe je indertijd een woord 'moest' spellen? Waarom niet gewoon elk woord gespeld op de manier die jezelf het beste lijkt en dan van je redacteur verlangen dat hij dát pikt? Het maakt een beetje de indruk van de man die meent dat de horoscoop in de krant van vandaag onzin is, en dat hij daarom blijft vasthouden aan de wijze raad uit de Telegraaf van gisteren.

Schröder levert er in datzelfde stuk overigens meteen ook nog een heuse complottheorie bij: "Die wijzigingen in de spelling zijn alleen maar een hobby van een Leidse professor die in 1995 zijn zin heeft kunnen doorzetten." Hoe zat dat dan volgens Schröder in 1954? Werd daar wel een van God gegeven norm gebruikt, zonder dat er professoren aan te pas kwamen die hun zin wilden doorzetten?

Dat spellingregels in enige vorm nodig zijn, daarover lijkt bijna iedereen het hartgrondig eens. Mensen die op straat door elk rood voetgangerslicht lopen dat hun pad maar kruist, lijken niet op de gedachte te komen dat je spellingregels die je niet bevallen, ook gewoon kunt negeren. Dat je alle energie die je verspilt door je op te winden over het woord zielenrust ook kunt besteden aan het schrijven van een fraai essay waarin je net zo vaak zielerust schrijft als je maar wilt. Dat het hele instituut van de officiële spelling geen enkel zinnig doel dient. Het is een hard en eenzaam lot, dat van de taalanarchist.

De Nijmeegse hoogleraar Anneke Neijt pleit in het laatste nummer van Nederlandse Taalkunde bijvoorbeeld voor aanpassing van de regels. De reden waarom die regels nodig zijn, is volgens haar dat er anders 'anarchie' zou kunnen ontstaan in de Nederlandse spelling – en dat woord 'anarchie' heeft voor haar duidelijk geen positieve associaties. Maar ik zie niet waar het probleem ligt. Zouden mensen ineens allemaal op de meest uiteenlopende manieren beginnen te schrijven als de overheid niet intervenieerde? Hooguit zou er volgens mij wat marginale variatie ontstaan: de ene persoon schrijft produkt en de andere product. Je vrienden kun je herkennen aan het feit dat ze hier de juiste keuze maken – de jouwe. Dat is precies de manier waarop taal werkt, van syntaxis tot en met fonologie. Je hoort nooit iemand pleiten voor een overheidsstandaard op deze niveaus omdat er anders een totale chaos dreigt. Volgens Neijt zouden 'kostbare voorzieningen als woordenboeken en leerboeken' nog duurder worden zonder eenheidsspelling. Maar de elektronische Van Dale biedt nu ook al de mogelijkheid om uitspraakvarianten van een woord op te zoeken; dat zou voor spellingvarianten ook makkelijk kunnen.

Verder vind ik natuurlijk ook wel dat Leidse professoren of medewerkers van het Meertens Instituut beslist niet hun zin moeten doorzetten als het om spelling gaat. In hetzelfde stuk in de regionale kranten wordt ook Harry Mulisch geïnterviewd, die zegt wat hij altijd zegt en wat volgens mij juist is: "Schrijvers zijn degenen die met de taal omgaan. Het is volgens mij dan ook beter dat schrijvers zich over de taal buigen dan een stel taalkundigen. Je laat politicologen toch ook geen politiek bedrijven?"

Kijk, daar ben ik het nu (waarschijnlijk als enige abonnee op Neder-L) volkomen mee eens. Als de mensen zich tijdens het schrijven per se ergens op willen richten, kunnen ze beter proberen goede en succesvolle schrijvers na te doen, dan zich te conformeren aan de willekeurige regeltjes van taalkundigen. Taaladviseurs zouden minder tijd moeten besteden aan het oeuvre van Jan Renkema, en meer aan dat van W.F. Hermans. Ze zouden op een rijtje moeten zetten hoe de belangrijkste schrijvers en journalisten schrijven – dat zou overigens bij die beste brave Allard Schröder een curieus effect opleveren.

Een groot voordeel daarvan zou volgens mij zijn dat je automatisch meer 'toegestane' variatie krijgt. Harry Mulisch schrijft bijvoorbeeld 'nederlandse spelling' met een kleine letter, maar W.F. Hermans schreef 'Nederlandse spelling' met een hoofdletter. Dat is vanaf nu dus allebei goed, al kan je vanaf nu je medeliefhebbers van het werk van Mulisch wel herkennen aan dit kleine eigenaardigheidje.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/









donderdag 5 september 2002

Je de rest van je leven niet vervelen

Er zijn wel wat overeenkomsten tussen de vorige maand overleden Edsger W. Dijkstra (1930-2002) en Vincent van Gogh (1853-1890). Ze woonden allebei enige tijd in Nuenen. Ze hadden allebei rood haar en een rood baardje. Ze horen minstens even beroemd te zijn om de handgeschreven notities die ze nalieten als om hun eigenlijke werk.

Edsger Dijkstra was een van de grondleggers van de wetenschappelijke informatica. Voor hem was het programmeren van computers een wiskundige activiteit. Op een bepaald moment werd de informatica een vak dat je ging studeren om verzekerd te zijn van een goede baan. Dijkstra bezag deze trend met argwaan. "Je studeert niet omdat je geld wilt verdienen," vond hij "maar om je de rest van je leven niet te hoeven vervelen."

Dijkstra bezag trouwens meer trends met argwaan. Moderne computers bijvoorbeeld, daar zag hij helemaal niks in. Hij had heel hoge standaards van hoe een computerprogramma in elkaar moet zitten - elegant en doorzichtig geconstrueerd, zodat het met een willekeurige invoer gegarandeerd de correcte uitvoer zou leveren - en vanuit die optiek is een willekeurige pc, vol onlogische, haastig in elkaar gedraaide programma's die het om de haverklap begeven, prutswerk, gemaakt door ingenieurs die al tevreden zijn als het een beetje werkt in plaats van door wiskundige strevers naar de perfectie.

Dijkstra stond dan ook aan de basis van het zogenoemde gestructureerde programmeren. In de jaren vijftig en zestig werden computerprogramma's in zogenoemde machinetaal gemaakt, instructies die bij wijze van spreken heel direct vertelden welk elektron zich waarheen moest begeven. In de jaren zestig kwamen er langzamerhand programmeertalen die het mogelijk maakten het apparaat op een wat hoger niveau van abstractie aan te spreken (de instructies werden dan uiteindelijk natuurlijk in machinetaal vertaald, maar dat gebeurde automatisch). Dijkstra streed ervoor dat dit soort programmeertalen helder, gestructureerd en bewijsbaar werden. De programmeertaal Pascal wordt wel gebruikt als voorbeeld van een taal waarin ideeën zoals die van Dijkstra verwerkt zijn.

Het is veelzeggend dat Dijkstra's bekendste stuk over deze kwestie (en misschien in het algemeen zijn bekendste stuk) een ingezonden brief was aan het tijdschrift Communications of the ACM. "Go To Statement Considered Harmful" heette die brief. Dijkstra pleitte erin tegen een programmeerstijl waarin de hele tijd van hot naar haar werd gesprongen in het computergeheugen (middels een 'go to'-opdracht) en voor een stijl die gebruik maakte van logische constructies als if A do B else do C, while A repeat B, enzovoort. Met die ideeën is het nu ongeveer zo gesteld: elke computerprogrammeur kent ze, en weet dat hij ze moet toepassen, maar elke computerprogrammeur overtreedt die regel ook. Ook moderne programmeertalen hebben nog steeds een equivalent van go to.

Dijkstra publiceerde een redelijk maar niet indrukwekkend aantal boeken, hoofdstukken in boeken en artikelen. Hij werd echter vooral bekend door de reeks EWD's (naar zijn initialen) die hij in de jaren 1962-2002 rondstuurde aan collega's en belangstellenden. Die EWD's waren soms uitgetikt, maar meestal met de hand geschreven en in ieder geval nooit op zo'n foutrijke tekstverwerker in elkaar gezet. Ze gaan over allerlei onderwerpen, uit de wiskunde, uit de informatica en uit het leven. Dijkstra had een bijzondere, droge, een beetje knorrige stijl. Na zijn pensioen in 1999 hebben zijn collega's van de Universiteit van Texas alle EWD's die ze terug konden vinden op een website gezet. De afgelopen weken heb ik ze bijna allemaal ademloos gelezen.

Wat ik nu zou willen, is lid worden van een EWD-club, waarvan de leden elke week bij elkaar komen om dan uit het verzameld werk van Dijkstra te citeren. "If somewhere you read 'in depth', ignore it," zegt iemand dan. En ik antwoord, "The problems of the real world are those that remain when you ignore their known solutions." De man had zelf trouwens een heel goed oor voor citaten; sommige van de beste EWD-citaten komen van zijn kinderen en zijn ouders. EWD 1130 (uit 1992) heet over "The Economy of Doing Mathematics" en gaat over onder andere het belang van elegantie in de wiskunde en de wetenschap. Het eindigt met een citaat van EWD's moeder: "And, remember, when you need more than five lines, you are probably on the wrong track."

Het lezen van die ruim 1700 EWD's is een bijzondere ervaring. Ik heb niet de pretentie dat ik alles begrijp, ik verkeer nu eenmaal niet bepaald in de voorhoede van de wiskundige informatica, maar een heleboel valt ook wel te begrijpen. En doordat een en ander letterlijk de vorm van notities heeft - de handgeschreven aantekeningen zijn ingescand en als pdf's gepubliceerd - komt die een beetje knorrige man grappig dichtbij.

In de taalkunde hebben we zoiets niet, geloof ik. (Al hebben we ook in ons vak onze eigenste Man uit Nuenen, dr. Jan van Bakel, die alweer sinds een paar jaar de interessantste en persoonlijkste website van de Nederlandse taalkunde bijhoudt, vol observaties, persoonlijke kritiek op van alles en nog wat en digitale reprints van oud werk. De stijl lijkt in de verte wel wat op die van Dijkstra.) Dat is jammer, want het bestaan van dit soort mensen is een reclame voor een vak; maar helaas is dit soort mensen zeldzaam.

"I thank everybody in general for everything, and you in particular for your attention." (EWD1298)
Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/
--
Jan van Bakel. 2002. Woorden en beelden (website). http://www.telebyte.nl/~janbakel/
Edsger W. Dijkstra. 1968. Go To Statement Considered Harmful. Communications of the ACM, 11.3: 147-148. Elektronische herdruk op http://www.acm.org/classics/oct95/
Edsger. W. Dijkstra. 2002. Homepage, University of Texas. http://www.cs.utexas.edu/users/EWD/










zaterdag 10 augustus 2002

Taalwetenschappelijk socialisme

Ingenieur V. heeft een hekel aan mij; hij meent dat ik een extreemlinkse activist ben en stuurt brieven aan mijn werkgever waarin hij aandringt op mijn ontslag. Wat heb ik gedaan? Ik heb ooit een stukje geschreven waarin ik erop wees dat ir. V. lid was van een clubje taalzuiveraars die ook lid waren van organisaties als het Nederlands Blok en de Centrumpartij. Een clubje dat er bovendien nare ideeën op nahield, zoals dat het Nederlands de enige taal zou moeten zijn in het openbare leven, en dat minderheidstalen zoals het Fries, het Turks en de Nederlandse Gebarentaal niet zouden moeten worden gebruikt. Dat ik dat opschreef, maakt mij tot een linkse extremist.

Dat was alweer een eeuwigheid geleden, vóór 6 mei van dit jaar. Inmiddels mag zoals bekend eindelijk alles gezegd worden. En maken zelfs volkomen respectabele mensen gebruik van dat recht om zonder kennis van zaken een mening tot beleid te verheffen. Zoals de opstellers van het regeerakkoord die schrijven (http://www.minaz.nl/kabinetsformatie/):
"Prioriteit moet worden gegeven aan het leren van Nederlands, daarom wordt de regeling Onderwijs in Allochtone Levende Talen [OALT] afgeschaft."
Inmiddels mag je dus niet alleen vrolijk voorbijgaan aan de mogelijkheid dat allochtone talen een waarde vertegenwoordigen in een beschaafde samenleving - ik ben bereid toe te geven dat dit eerder een politieke mening is dan een feit - en mag je bovendien weer vrijelijk suggereren dat het OALT niets bijdraagt aan het leren van Nederlands, ja daar misschien zelfs mee in conflict is (maar dat gaat zonder enige kennis van zaken voorbij aan een enorme berg onderzoek dat naar deze kwestie is gedaan en die iets anders suggereert).

Nog iets verder ging het gemeenteraadslid van Leefbaar Rotterdam Michiel Smit, die in juli binnen een week twee keer in het nieuws kwam. De eerste keer protesteerde hij tegen het feit dat de gemeente Rotterdam overheidsbrochures vertaalde in allochtone talen. Dat ontmoedigde volgens hem de buitenlanders die Nederlands zouden willen leren. Op de website van Leefbaar Rotterdam (http://www.leefbaarrotterdam.nl/kandidaten.htm) zegt hij:
"Communicatie van de overheid moet alleen in het Nederlands plaatsvinden, hiermee stimuleer je noodzaak om ook goed de taal te leren onder nieuwkomers."
Alsof niet vrijwel elke nieuwkomer die noodzaak voelt! En het probleem is eerder dat er nog steeds onvoldoende mogelijkheden zijn om dat Nederlands te leren. (Je zou bijvoorbeeld kunnen beginnen door de Nederlandse tekst van een overheidsbrochure te vergelijken met de vertaling in je eigen taal.)

  Aangemoedigd door het succes dat hij met deze mening had, verkondigde hij een paar dagen later dat preken in de moskee voortaan alleen nog maar in het Nederlands mochten worden gehouden. "Of in het Fries". Daarmee meende hij dus te mogen ingrijpen in de persoonlijke sfeer en daar ook te mogen voorschrijven welke taal men er sprak: spreek Nederlands! ("Of Fries.")

Op de zojuist al geciteerde website van zijn fractie formuleert Smit trouwens ook nog een persoonlijk ideaal:
"Een einde aan alle overheidsdoctrine, dat de multiculturele samenleving zo mooi is, dat maken we zelf wel uit."
Vanuit het standpunt van Smit was het Taalkundige Manifest Het Multiculturele Voordeel dat enkele taalkundigen vorig jaar uitbrachten (http://www.meertens.knaw.nl/variatielinguistiek/manifest/) dus een puur staaltje overheidspropaganda. Dat lijkt me overdreven, al heb ik dat manifest indertijd niet onderschreven. Of multiculturaliteit een voordeel is, of een multiculturele samenleving mooi is, is een politieke vraag. Dat maakt de democratie uit, niet de wetenschap - dat zullen degenen die wel ondertekenden ook zeggen.
  Daar staat tegenover dat de tijden nu wel erg drastisch zijn veranderd, en dat meneer Smit en de opstellers van het regeerakkoord nu juist weer lijken te denken dat wat wetenschappelijke onderzoekers hebben gedaan in de loop der tijden volkomen irrelevant is. Dat je 'links' bent, of 'paars', of zelfs 'extreemlinks' als je wijst op de toch aanzienlijke hoeveelheid kennis en inzicht die uit wetenschappelijk onderzoek is voortgekomen, zoals dat aandacht voor de eigen taal het onderwijs in een vreemde taal als het Nederlands eerder baat dan schaadt.

Het wordt dus tijd dat taalkundigen in actie komen. Dat we met zijn allen - ik geloof in ieder geval niet dat er taalkundigen bestaan die van mening zijn dat het heilzaam is om alleen nog onderwijs in het Nederlands te geven - nu eens 'de straat opgaan'. Dat we dat doen met de enige middelen die ons als onderzoekers passen: voorlichting geven, onderzoeksresultaten voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk maken, laten zien dat iedereen natuurlijk van alles en nog wat over taal mag beweren, maar dat sommige meningen niet stroken met wat we redelijkerwijs weten. Je gaat regeringsbeleid toch ook niet baseren op de gedachte dat wiegendood het resultaat is van hekserij. En dat mensen die voor heksen opkomen allemaal op zijn minst vegetariërs, maar waarschijnlijk gevaarlijke linkse extremisten zijn.




vrijdag 5 juli 2002

De nu-wij-taalwetenschap

Wat is de taalwetenschap toch een prachtig vak! De taal is zo belangrijk voor de mens en zijn maatschappij, de taal is zo veelzijdig en rijk, dat je haar op allerlei manieren kunt bestuderen en dat is zeker de afgelopen decennia ook met vrucht gedaan. De taalkunde is het mooiste vak dat er is, als je haar niet nodeloos beperkt. Wie eerstejaarsstudenten taalkunde slechts een heel beperkt beeld voorzet, wie doet alsof de taalkunde slechts bestaat uit zijn of haar persoonlijke belangstelling (dat alles dan natuurlijk met beroep op de 'beperkte ruimte' die er in het programma is), die doet zijn vak en de studenten onrecht.

Dat laatste is helaas het geval met het recent verschenen boek Taal in gebruik, onder redactie van Theo Janssen (VU). De ondertitel van het boek is Een inleiding in de taalwetenschap, maar dat bepaalde lidwoord bij taalwetenschap staat daar onterecht. Het boek leidt hooguit in tot een beperkte, dogmatische versie van moderne cognitieve taalkunde. Er staan aan het eind van het boek een aantal heel goede hoofdstukken over taal en maatschappij, over communicatie in een meertalige samenleving, over taalverandering en over taalnormen. Maar de kern van Taal in gebruik doet me nog het meest denken aan mijn leraar Nederlands op de middelbare school, meneer Wassenberg, die verklaarde dat hij al dat ontleden óók maar niks vond, en dat hij veel meer interesse had voor het zogenoemde tekstverklaren (waarbij je als leerling een 'zakelijke tekst' kreeg voorgelegd met vragen zoals 'naar wie verwijst het woord hij in regel 3?'). Ik vond zinsontleden fascinerend en tekstverklaren suf, en meneer Wassenberg en zijn vak heb ik daarna nooit meer serieus genomen. En dan deed hij tenminste nog wat aan dat ontleden.

Je kunt de taal op velerlei wijze bestuderen, en één ervan - volgens mij een heel legitieme - is je te concentreren op de vorm. Er is geen groter plezier dan zinnen ontleden, om zodanig door te dringen in één enkele zin, dat je het gevoel hebt dat je er steeds meer van begrijpt. En wie succesvol de werking van taal in de hersenen of in de maatschappij wil begrijpen, zal dat volgens mij ook moeten kunnen. Wie Taal in gebruik heeft gelezen, kan geen zin ontleden en is in het algemeen niet op de hoogte dat taal ook een vorm heeft, die je kunt bestuderen. Alternatieve visies worden stelselmatig genegeerd.

Geen fonologie

Heel verbazingwekkend vind ik het bijvoorbeeld dat het woord 'fonologie' in het hele boek voor zover ik heb kunnen nagaan slechts één keer voorkomt: terloops in het (uitstekende) hoofdstuk van Renée van Bezooijen over 'Taal en maatschappij'. Het hangt daar een beetje in de lucht omdat er geen hoofdstuk is waarin dieper op die materie wordt ingegaan. Dat lijkt me op zijn minst de ontkenning van de geschiedenis van de taalwetenschap - vrijwel alle belangrijke Nederlandse taalkundigen uit de twintigste eeuw hebben zich op enig moment beziggehouden met een fonologisch onderwerp. Maar het is erger. Methodologisch is de fonologie de voorbode geweest van veel vormen van taalonderzoek. Veel psycholinguïstische, sociolinguïstische, historisch taalkundige, dialectologische, taaltypologische en andere literatuur concentreert zich op fonologische onderwerpen en valt zonder elementaire kennis van de fonologie niet te begrijpen.

Nu zou je kunnen zeggen dat je in 'een inleiding in de taalwetenschap' nu eenmaal niet alles kunt behandelen. Dat is natuurlijk waar. Aan de andere kant is een van de mooiste eigenschappen van de wetenschap cumulativiteit: je bouwt voort op het werk van je voorgangers. Dat betekent onder andere dat studenten een hoeveelheid basiskennis moeten leren, er is een basisapparaat aan kennis en kunde die iedereen die pretendeert iets van de taalkunde weet nu eenmaal moet hebben. Negeren dat bijvoorbeeld een elementaire kennis van de klinkerdriehoek en van het verschijnsel assimilatie daartoe behoren, vind ik bizar.

Taal in gebruik gaat verder, want aan de studie van de vórm van taal - hoe je het ook bekijkt een oeroude traditie - wordt in dit boek in het geheel geen aandacht besteed. De nadruk ligt op het gebruik van taal en dan in het bijzonder op het communicatieve gebruik. Er zijn heel veel taalkundigen die een dergelijke visie veel te beperkt vinden. In zijn Spinoza-lezing (1997) stelde de beroemde Leidse taalkundige Frits Kortlandt zich bijvoorbeeld tegen deze opvatting teweer:

Onze taal dient ook om uitdrukking te geven aan gedachten en gevoelens. Wij willen anderen graag op de hoogte stellen van wat er in ons omgaat. Daarvoor heb je trouwens helemaal geen luisteraar nodig, want wij willen dat ook graag aan onszelf duidelijk maken. Taal is er niet alleen voor de sociale interactie, maar ook voor de individuele expressie. (þ) Maar ook dat is nog maar een deel van het verhaal. Het is namelijk de vraag of onze taal alleen een instrument is dat wij kunnen gebruiken voor onze sociale interactie en individuele expressie. Het is immers een bekend verschijnsel dat mensen zich soms laten meeslepen door hun eigen woorden en zich kunnen laten verleiden tot uitspraken die zij helemaal niet willen doen. Het lijkt alsof er dan een autonoom proces op gang komt, waarbij de mensen zichzelf niet meer in de hand hebben. Hoe dat komt, weten we niet, maar het is duidelijk dat de opvatting van taal als communicatiemiddel hier te kort schiet.
In zijn lezing noemt Kortlandt nog meer mogelijke functies van taal, maar deze worden allemaal in dit boek net zo goed genegeerd als de studie van taal als pure vorm.

Een inleiding die geen aandacht besteedt aan andere functies, is schraal en onvolledig. Misschien is Taal in gebruik bruikbaar als aanvulling op bestaande inleidingen; ik vind het onverantwoord om een dergelijk dogmatisch boek aan te bieden aan eerstejaars als hun eerste en mogelijk enige kennismaking met dit vak.

Een therapeutisch boek

Een collega van me noemde Taal in gebruik 'therapeutisch'. Er zijn taalkundigen die zich lange tijd genegeerd en belachelijk gemaakt hebben gevoeld door de formele taalkundigen. Vooral die generativisten die deden alsof zij de waarheid in pacht hadden, alsof hun visie op taal de enige wetenschappelijke was, hebben kennelijk veel kwaad bloed gezet. Nu wij! lijken de auteurs te zeggen. Als jullie niet naar ons willen luisteren, luisteren wij ook niet naar jullie! Als jullie zeggen dat je alleen de vorm mag bestuderen, gaan wij de studenten helemaal niks over die vorm vertellen! In de bibliografie van deze inleiding van de taalwetenschap ontbreekt dan ook de naam van Noam Chomsky, die toch vrij onomstreden de invloedrijkste taalkundige van de twintigste eeuw mag worden genoemd.

Maar wetenschap is geen therapie. Je kunt niemand negeren, zelfs niet de mensen die jou misschien ten onrechte negeren. Je kunt geen studenten opleiden die geen weet hebben van de gedachten van belangrijke taalkundige stromingen. Je kunt niet op eigen houtje besluiten dat de taalwetenschap geen aandacht besteedt aan onderwerpen waaraan heel veel van je collega's werken. De inleiding in de taalwetenschap René Appel en zijn collega's van de UvA onlangs uitgaven is wat dit betreft, en zeker vergeleken bij Taal in gebruik, een toonbeeld van evenwicht: daar staan de fonologie en de pragmatiek, het generatieve en het functionele paradigma nog broederlijk naast elkaar.

Ik weet niet zo goed wat ik met Taal in gebruik aan moet, ik word er een beetje sip van. Sip vanwege het gebrek aan openheid, het gebrek aan discussiebereidheid, het gebrek aan breedte in de visie op wat taal is en kan zijn. Het past kennelijk in een ontwikkeling, die ik ernstig betreur, en die neerkomt op een totaal overboord gooien van allerlei soorten van taalwetenschap die niet in deze of gene politieke agenda passen: de 'nu-wij-taalwetenschap'. Ik geloof dat de fonologie in de meeste bachelors-programma's van opleidingen neerlandistiek in het geheel wordt weggedrukt, er zijn over enkele jaren waarschijnlijk neerlandici die geen fricatief van een plosief kunnen onderscheiden, die geen klinkerdriehoek herkennen en denken dat het woord bang op twee medeklinkers eindigt. Studenten die alleen weten waarnaar het woord hij verwijst in regel 3.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Met dan aan Sjef Barbiers en Matthias Hüning voor discussie.

Verwijzingen

René Appel e.a. 2001. Taal en taalwetenschap, Blackwell.
Theo Jansen, red. 2002. Taal in gebruik. Een inleiding in de taalwetenschap. Sdu.
Frits Kortlandt. 1997. De buren van onze voorouders. Spinoza-lezing. http://www.kortlandt.nl/spinoza/art171.html

vrijdag 21 juni 2002

Ondertussen op het Internet

Beste Ben,

"Iets meer dan een week geleden", schreef ik in mijn eerste column voor Neder-L "opende NRC Handelsblad voor het eerst in zijn geschiedenis met een artikel over het Internet."

Dat was in maart 1996. Zoals uit dit nummer blijkt, ben ik de enige columnist geweest die zelf stoutmoedig genoeg is geweest om zich aan jou op te dringen. Jij was toen al vier jaar bezig met Neder-L - dat toen nog geen website had, maar alleen via e-mail verstuurd werd - en ik kwam nog maar net kijken. Inmiddels leven we in een periode waarin het Internet alweer geen voorpaginanieuws meer is, maar tegelijk ook niet meer weg te denken is uit het leven van veel onderzoekers. Al is het maar vanwege e-mail. Ik ben inmiddels aan de veertigste aflevering van mijn column toegekomen. Een feit dat ik zo heugelijk vind dat ik binnen een half jaar drie verschillende nummers 40 gepubliceerd heb. (Eerdere nummers 40 waren: <http://www.neder-l.nl/bulletin/2001/12/011213.html> en <http://www.neder-l.nl/bulletin/2002/04/020433.html>.)

Inmiddels ben je tien jaar bezig, en is er behoorlijk wat veranderd. Bijvoorbeeld zijn allerlei onbevoegden zich gaan bemoeien met de spelling en het lidwoord van het woord 'Internet'. (Ik heb je al jaren geleden beloofd deze zaak eens en voor altijd op te helderen in Neder-L.) Jij en ik en iedereen die er verstand van heeft schrijft al sinds jaar en dag 'Internet' en zes jaar geleden deed ook de NRC dat. 'Internet' is immers een eigennaam. Zo. Tot op een bepaald moment iemand bedacht dat 'Internet' net zoiets is als 'televisie', of dat het geen soortnaam is, of Joost mag weten wat voor waandenkbeeld er in het brein van die onverlaat naar boven kwam borrelen. Zo kwam dat woord met een idiote kleine letter in de woordenboeken en nu is dat zogenaamd de 'correcte' spelling. Dat er geen enkel zinnig argument is om het zo te doen, terwijl het tegelijkertijd het woordbeeld verstoort voor iedereen die óók Engels leest, tja, er bestaat nog steeds geen loket waarbij je daarover kan klagen.

Ik weet trouwens ook nog goed dat ik de eerste keer de uitdrukking 'op Internet' (of 'op internet') las en me verbaasde over de domheid van het bedrijf dat niet wist dat alle echte Internet-gebruikers 'op _het _ Internet' zeiden en schreven. Inmiddels is mijn kopij op dit punt al zo vaak 'verbeterd' dat ik zelf af en toe per ongeluk ook weleens spontaan het lidwoord vergeet.

Alleen in Neder-L kan ik de woorden nog altijd schrijven zoals ze echt horen te zijn: "op het Internet". Elke keer vis je wel wat verschrijvingen uit mijn columns, voordat ze zelfs maar naar de rest van de redactie gaan, maar de dingen die juist zijn mogen van jou gelukkig blijven staan.

Wat is er verder veranderd? We hebben een paar dingen over het Internet geleerd. Bijvoorbeeld dat de ontwikkelingen er helemaal niet zo snel gaan. Ja, tussen het moment dat jij met Neder-L begon en ik met mijn column waren de ontwikkelingen even stormachtig. Eerst kwam het worldwide web op en daarna hadden we een tijdlang elke twee maanden een geheel nieuw browserprogramma met nog meer verbazingwekkende nieuwe mogelijkheden. Maar die technische storm hield snel na 1996 op: ik werk nu al ongeveer drie jaar met dezelfde versie van Internet Explorer zonder dat ik het gevoel heb dat ik iets mis.

Het is ook eigenlijk logisch dat de ontwikkelingen niet zo snel meer gaan. Er zijn nu zoveel mensen aangesloten op het netwerk, die krijg je nooit meer allemaal binnen korte tijd in beweging om een nieuw programma te installeren dat het mogelijk maakt om de nieuwste snufjes te bekijken. En als niemand die nieuwste snufjes kan bekijken, heeft het ook weinig zin ze nog aan je webpagina's toe te voegen. En dus hebben de meeste mensen weinig reden om nieuwe programma's binnen te halen. Het Internet is niet snel; het is traag.

De neerlandistiek is helemaal traag als het om dit soort ontwikkelingen gaat, maar dat konden we tien jaar geleden al weten. Toch is er al wel veel gebeurd, alles bij elkaar, in die tijd. Neder-L kreeg een website. Er zijn andere (gespecialiseerdere) elektronische tijdschriften gekomen, er wordt gewerkt aan digitale tekstenverzamelingen, grammatica's, publieksvoorlichting en de verspreiding van vakinhoudelijke artikelen. Dat het meeste werk nog steeds gedaan wordt door een klein clubje mensen en dat de officiële instanties over het algemeen nog maar weinig tot stand hebben weten te brengen, dat nemen we maar even voor lief. Het is per slot van rekening feest. Het centrum van al die ontwikkelingen, de neerlandistiek op het Internet, is volgens mij altijd Neder-L gebleven. En de drijvende kracht achter Neder-L ben jij.

Gefeliciteerd!

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

zondag 21 april 2002

Zoals een Romeins legionair

Sommige dichters vinden het hun taak om zo onbegrijpelijk mogelijk te schrijven, maar weinigen gaan daarin zo ver als Gonçalo Neves. Veertien jaar lang heeft hij gedichten geschreven in het Esperanto, om tot de conclusie te komen dat die taal hem toch niet mooi genoeg is. Nu is hij overgestapt op het Ido, een kunsttaal die van het Esperanto is afgeleid en waarschijnlijk niet meer dan enkele tientallen sprekers heeft over de hele wereld. Van wie het maar de vraag is of ze van poëzie houden.

Het eerste boekje over het Esperanto werd gepubliceerd in 1887. Dat boekje bevatte behalve een grammaticale schets en een woordenlijst ook enkele literaire proeven: vertalingen en zelfs enkele oorspronkelijke gedichten, allemaal van de hand van L.L. Zamenhof, de auteur van de taal. Zamenhof vond dat een taal niet kon bestaan zonder literatuur en deed ook zijn best om te laten zien dat zijn taal als literaire taal kon worden gebruikt. Hij vertaalde in de loop van zijn leven onder andere het complete Oude Testament, alle sprookjes van Andersen en enkele stukken van Shakespeare met dat doel.

Niet iedereen was het met hem eens. Er waren taalkundigen -- de beroemde Deen Otto Jespersen bijvoorbeeld -- die vonden dat een taal niet door een relatieve taalkundige amateur als Zamenhof (een oogarts) kon worden gemaakt. Dat de taal als voertuig van literatuur moest dienen vonden ze vaak onzin: de taal moest vooral dienen als voertuig voor de wetenschap, de handel, de internationale politiek. Poëzie was een frivoliteit. Bovendien zagen ze rond 1907 dat het Esperanto nog steeds niet de grote doorbraak had gemaakt, en volgens hen lag dat aan de taalkundige tekortkomingen die ze in het Esperanto zagen (de taal gebruikte een accusatief! en het woord voor 'student' was 'studanto' in plaats van het veel wetenschappelijker 'studento'!

Dus begonnen in 1907 een groepje mensen, voornamelijk geleerden als de voornoemde Jesperse en de wiskundige Couturat een eigen 'verbeterd' Esperanto, dat ze 'Ido' noemden. Ido betekent 'nakomeling' in het Esperanto.

Het probleem van het Ido was nu vooral dat het veel mensen aantrok die dol waren op het bedenken van steeds nieuwe 'verbeteringen' in de taal. Dat betekende dat de beweging snel versplinterde, want over de verschillende 'verbeteringen' konden de Idisten het onderling vaak niet eens worden. Jespersen publiceerde bijvoorbeeld een boekje Novial (Nieuwe International Auxiliary Language) met een geheel eigen versie kunsttaal die misschien niemand geleerd heeft. Bovendien: doordat de Idisten zo druk bezig waren hun taal te verbeteren, kwamen ze er niet echt toe te bouwen aan een taalgemeenschap of een literatuur, zoals de Esperantisten dat wel hadden gedaan. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is de Esperanto-beweging weliswaar niet groot, maar nog steeds redelijk levendig (een redelijke schatting is dat er honderdduizend actieve gebruikers zijn op de wereld), terwijl het Ido tot enkele jaren geleden steeds verder gemarginaliseerd raakte.

Toen gebeurde er iets. De meeste mensen hebben het niet zo in de gaten, maar de komst van het internet heeft van alles betekend voor kunsttaalbewegingen zoals dat van de Idisten. Ineens werd het financieel mogelijk om het handjevol liefhebbers in hun zelfgemaakte diaspora te organiseren, met elkaar te laten praten in nieuwsgroepen, elektronische krantjes uit te geven. Ineens werd het mogelijk om het Ido (en ook allerlei andere kleine idealistische kunsttalen) een wereldwijd podium te geven.

Gonçalo Neves maakt daar dankbaar gebruik van. Hij had het Ido ontdekt en gebruikte voortaan een Ido-nieuwsgroep om zijn eerste dichterlijke pogingen te publiceren en te laten toetsen. Waarom toch dat Ido? Neves schrijft er zelf over (in zijn brochure 'Nia justifiko' - Onze rechtvaardiging; ik geef eerst mijn vertaling, maar citeer het daaronder voor de aardigheid in het Ido):
"Om eerlijk te zijn is het de moeite helemaal niet waard om Ido te leren vanwege zijn huidige beweging (die heel minimaal is) en zelfs niet voor zijn huidige literatuur (die zeer mager is), maar alleen vanwege het gigantische esthetische plezier die de taal toestaat, en vanwege de hoop dat te zijner tijd zeer waardevolle schrijvers de schoonheid en de voordelen van het Ido zullen ontdekken en hem zullen gebruiken als krachtig cultureel instrument."
"Se oni volas sincera opiniono, tote ne valoras la peno lernar Ido pro lua nuna movemento (qua es tre mikra) e mem ne pro lua tilnuna literaturo (qua es tre magra), ma nur pro la grandega estetikal plezuro quan grantas la linguo, e pro l'espero ke ultempe tre valoroza skripteri deskovros la beleso ed avantaji di Ido ed uzos ol kom potenta instrumento di kulturo."
Op dit moment is Neves bezig een vertaling uit te geven van het grote gedicht 'O guardador de rebanhos de Fernando Pessoa'.
  Zoals gezegd, er zijn meer dichters die er eer in leggen onbegrijpelijk te zijn, maar Neves gaat wel heel ver. Het Ido ligt nog steeds vrij dicht bij het Esperanto en kun je praktisch als een dialect van die taal beschouwen, maar Esperantisten zullen geen Ido lezen. Het heeft iets heel ontroerends, natuurlijk, deze keuze voor de absolute schoonheid, voor een taal die je nu eenmaal mooi vindt, al kan niemand hem lezen.

Het thema van de Ido-dichter is overigens het onderwerp van een aardig Esperanto-gedicht, 'La lasta' van L.N. Newell. In mijn onvolmaakte vertaling:


    DE LAATSTE
    
               In vriendschap opgedragen aan een Idistische dichter

    Zoals een Romeinse legionair zingt
    Eenzaam op wacht bij de laatste landsgrens
        Vol goede moed op zijn post,
        Barbaren slaan thuis alles stuk;

    Zoals op het dode land doodsgezangen
    Zingt voor zijn naasten de laatste mens
        De sneeuwvlokjes dwarrelen stil,
        De blinde wanorde komt snel:

    Zo zing jij je lied, laatste Idist,
    Bedroefd om een wereld, die zomaar de taal
        Vergat waar jij zo van hield
        Trouw dichtertje, wees gegroet!

    L.N. Newell (1902-1968)

    ---

    LA LASTA

               Dedichita amike al Idista poeto

    Kiel soldato kantas romana,
    Sola che l' lasta landlim' forgesita,
        Kuragha che sia posteno
        Dum detruas patrujon barbaroj;

    Kiel sur morta tero mortkantas
    Siajn amatojn lasta homido,
        Sub negheroj silente shvebantaj,
        Atendante la blindan hhaoson:

    Tiel Idisto lasta vi kantas
    Morne al mondo, kiu forgesis
        La lingvon de vi amegatan.
        O poeto fidela, saluton!

    L.N. Newell (1902-1968)

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Verwijzingen:
  • Gonçalo Neves. 'Nia justifiko. Esayo pri la existo-yuro di Ido'. Editerio Sudo; Lisboa, 2002.
  • Gonçalo Neves. 'Servi la Arton kaj Belon.' La Ondo de Esperanto 2002.4.
  • http://www.esperanto.org/Ondo/90-lode.htm
  • Ido-discussielijst: http://groups.yahoo.com/group/idolisto/