Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zaterdag 1 december 2001

Uit de diepten

Is het een boetpsalm? Een Trappenlied? Een Liedt int hooghe coor? Een pelgrimslied? Een ghebedt, om vergiffenisse der sonden? Een liet Hammaaloth (Kan ook mede gezongen worden op de wyse van Wilhelmus van Nassouwe)? Alleen al over de aanduiding bovenaan psalm 130 zijn de dichters en vertalers het nooit eens geworden. Dat kun je concluderen uit De profundis, een onlangs verschenen verzameling van ruim tweehonderdvijftig vertalingen en berijmingen van deze psalm in varianten van het Nederlands uit alle eeuwen.

De definities van de begrippen 'vertaling' en 'Nederlands' zijn nogal ruim genomen. Zo zijn ook allerlei bewerkingen en gedichten naar aanleiding van psalm 130 opgenomen, en zelfs het begin van Gerard Reves 'Brief in de nacht geschreven' uit Nader tot U:
'In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan één stuk gedronken had, maar je kon niets aan hem zien. Een zang, terwijl hij naar de duisternis ging. Voor de orkestmeester. Een nachtlied. Een lied van overgave, want op U wacht ik, en op U alleen, o Eeuwige.'
Volgens de samenstellers is deze tekst op de psalm terug te voeren om dat er vijf elementen zijn terug te vinden: (i) een zang, een lied, (ii) uit de diepten, de nacht, (iii) overgave, (iv) wachten, (v) gerichtheid op U, de Eeuwige. Maar als dat zo is, is het hele oeuvre van Reve een lange vertaling van psalm 130. Ook zijn er versies opgenomen die niet in het Nederlands zijn maar als basis van Nederlandse vertalingen hebben gediend (uit de Septuagint, de Vulgaat, Luther, en zo meer).

  Door de verzameling van achteren naar voren door te lezen, zoals ik heb gedaan, raak je in een soort roes. Dat almaar achter elkaar herhalen van de roep naar God vanuit de diepten, maakt die roep almaar scheller en machtelozer. Een antwoord is nog altijd niet gekomen. Bovendien biedt het boek een prachtige staalkaart van taalvarianten zoals deze in Nederland gesproken zijn of worden:

         Van der diepheit riep ic toten here
         (Het Psalter van Leningrad, 13e/14e eeuw)
         Uyt de diepten roepe ick tot u, o HEERE
         (Statenvertaling, 1636)
         Waer sal ick t'henen wenden?
         Ick ben gesoncken neer
         Ten afgrond der ellenden:
         Dies roep ick tot u, Heer.
         (Jacob Westerbaen, 1655)
         Uit diep' en duistre kolken
         Schrei ik om troost tot God;
         Tot God, die in de wolken
         Getuig' is van mijn lot.
         (Lucretia Wilhelmina van Merken, 1760)
         Ta Dy, o God, ta Dy myn rop yn leed!
         (Fries, Gerben Postma, 1906)
         Uit de dieptes roep ek U aan, o Here!
         (Afrikaans, Die Bybel, 1933)
         Oet alerdaipste noden
         roup ik Joe aan, o HEER
         (Gronings, Grunneger Psaalms en Gezangen, 1966)
         Vanuut de diepten 'ae ik tot joe gerope, O 'EERE
         (Zuidbevelands, Kousemaker, 1981)
         God nog aan toe, ik roep om jou!
         (Wim Spekking, Psalmen voor de jeugd, 1991)
         Ik valle smeakend dale. /Oet deepten kleenkt mien klacht
         um biej God hulp te halen, / opkloaring in mien nacht.
         (Twents, Gerrit Morsink, Twents Psalmbook, 1993)
         Na ini dipi plesi mi de krei na joe, mi Masra!
         (Surinaams, Njoe Testament nanga dem Psalm)

Volgens de samenstellers zal het waarschijnlijk heel moeilijk zijn om een soortgelijke verzameling te maken voor andere talen dan het Nederlands. Ik wil dat graag geloven - nergens is het telkens opnieuw en beter vertalen van de bijbel, en dan vooral de psalmen zo'n volksbedrijf geworden als hier. Wil je een nieuw kerkgenootschap oprichten: vertaal de psalmen. Wil je laten zien hoe taalvaardig je bent: vertaal de psalmen. Wil je opkomen voor je streektaal: vertaal de psalmen.
 
In Frankrijk, katholiek land, is bijvoorbeeld een veel geringere belangstelling voor dit soort ondernemingen. Toch verscheen daar eerder dit jaar een geheel nieuwe vertaling van de bijbel, met een eerste druk van 100.000 exemplaren en heeft de vorm van een koffietafelboek.
 
Het aardige van deze vertaling is dat ze uitgaat van de gedachte dat de bijbel niet één boek is, maar een verzameling boeken die door zeer verschillende schrijvers in zeer verschillende perioden is vertaald. Dat je zo'n bijbel dus ook niet door een persoon of door een commissie moet laten vertalen (zoals vrijwel altijd gebeurt), maar dat je elk afzonderlijk bijbelboek in handen van een vertaler moet geven die er zijn eigen toon aan kan meegeven. Eigenlijk wordt elk boek in handen gegeven aan een duo: een bijbelgeleerde en een schrijver of dichter.

Het resultaat is een bijbel die heel prettig leest, een ontdekkingstocht langs allerlei afgronden en uitzichten die je nog helemaal niet kende. Er doen dan ook bekende schrijvers aan het project mee als Jean Echenoz, Marie Borel, Florence Delay en Frédéric Boyer. Hoewel, nu, ik moet eerlijk zeggen dat ik van Boyer nog nooit gehoord had, maar hij was de hoofdredacteur van deze bijbel en leverde onder andere de indrukwekkende vertaling van Genesis. De vertaling van de psalmen is in handen van Olovier Cadiot en Marc Sevin. Ik vind dit niet de mooiste psalmvertaling die ik ooit gelezen heb, maar hij werpt toch ook weer een ander licht op de tekst:

         Chant par degrés
         De très profond
         Yhwh
         Je t'appelle

Het doet je verlangen naar een Nederlandse versie van dit project: Harry Mulisch voor Genesis, J.J. Voskuil voor Deuteronomium, Jeroen Brouwers voor het boek Job, Judith Herzberg voor het hooglied, Arnon Grunberg voor het evangelie van Mattheus, Joost Zwagerman voor dat van Marcus en Renate Dorrestein voor de brieven van Paulus. Van de levende dichters zou Jan Kal dan de psalmen mogen doen:

         Vanuit de diepten roep ik U, o Heer.
         God, hoor mijn stem. Neig Uw opmerkzaam oor:
         geef aan mijn luide smekingen gehoor.
         Als U de fouten, Heer, voor immermeer
         blijft rekenen - God, wie heeft dan verweer?

Marc van Oostendorp

Dirk Duijzer (red.) De profundis. Psalm 130 in de Nederlandse taal. Zoetermeer, Mozaïek, 2001. ISBN 90-239-9053-6.
Frédéric Boyer et al. La bible. Nouvelle traduction. Paris: Bayard/Montréal: Médiaspaul, 2001. ISBN 2-227-35800-9. Meer informatie op http://www.biblebayard.com

















zaterdag 21 juli 2001

Weg van hier

Zes jaar geleden was het warm in augustus, maar zat ik tegenover Willem Kuiper in café In de Wildeman in de binnenstad van Amsterdam. Ik was net begonnen met het Project Laurens Jz. Coster als een onderdeel van De Digitale Stad. Nu ging Willem, de nestor van de digitalisering van de Nederlandse literatuur, mijn nieren proeven.

De Digitale Stad was toen nog een idealistische club mensen die de burger op het Internet wilden brengen omdat ze dachten dat die burger daar van alles bij te winnen had. Dat mensen via het Internet allerlei informatie gratis ter beschikking zouden stellen waar je verder nauwelijks of alleen met moeite aan kon komen. Dat die informatie gratis zou zijn. Dat je op het Internet kon samenwerken met allerlei mensen die je nog nooit in levenden lijve gezien had.

Nou, dat dacht ik eigenlijk ook allemaal zo'n beetje. Ik had wat kennissen bij de Stad en ik had net mijn proefschrift af. Daarin beschreef ik hoe er in het moderne Nederlands soms wel (hellep, marrek) en soms niet (hart, pers) een sjwaklinker wordt ingevoegd tussen twee medeklinkers. Nu wilde ik weten of dat in oudere taalfasen anders was geweest, en daarvoor had ik een corpus nodig. Dus begon ik rond te vragen of er ergens een Nederlandse tegenhanger was van de Amerikaanse en Duitse Gutenberg-projecten, waarin toen al heel veel elektronische literatuur verzameld was.

Zo'n tegenhanger was er niet. "Dan begin jij er toch zelf een", zeiden mijn kennissen bij De Digitale Stad. Zo was Laurens Jz. Coster geboren. En ik was blij dat er zo'n club bestond als De Digitale Stad. Veel beter dan de universiteiten, waar helemaal niks werd gedaan aan internet.

Dat alles vertelde ik aan Willem, en we dronken nog een bier, en toen moest Willem weer naar huis, want hij komt uit de Zaanstreek en daar is men overal voor in, als men maar met etenstijd thuis is. Hij beloofde dat ik te zijnertijd misschien ook nog wel wat van zijn teksten zou krijgen, en dat hij ook verder zou helpen, en ik was geloof ik min of meer goedgekeurd.

*

Een maand geleden was het een regenachtige ochtend in juli. Ik zat in het kantoortje van De Digitale Stad te praten met Joost Flint, de directeur van het bedrijfje dat DDS inmiddels geworden is. Ik had hem in al die jaren nooit eerder gezien, maar nu had hij me gemaild om te zeggen dat ik contact met hem moest opnemen in verband met hun nieuwe plannen.

We dronken sterke koffie en ondertussen vertelde hij me wat de stand van zaken was. Eind 1999 is De Digitale Stad van een stichting een bedrijfje geworden, waarbij de verschillende activiteiten - redactiewerk, websites bouwen, computerruimte bieden aan websites - in verschillende deelbedrijfjes werden ondergebracht.

Nu was eind 1999 zo ongeveer het ongelukkigst mogelijke moment om een dergelijke stap te zetten. Al snel daarna begonnen de klappen te vallen in de Internet-economie. De meeste onderdelen van De Digitale Stad werden dan ook aan de kant gezet. Ik hield in die tijd mijn adem in, maar met Coster gebeurde er niks. Af en toe groeiden we uit ons jasje - dan hadden we weer alle ons toegewezen computerruimte gebruikt - maar ik hoefde dat maar te melden, of we kregen er weer 10 Mb bij.

Nu, op deze regenachtige morgen, werd me duidelijk dat het definitief was afgelopen. Van een bloeiende, vrolijke club mensen waar de hele tijd Jan en alleman op bezoek kwam en iedereen bruiste van enthousiasme, was het nu een klein bedrijfje dat angstvallig probeerde het hoofd boven water te houden. De nieuwste noodgreep heette 'breedband' - De Digitale Stad gaat een bedrijfje worden dat breedband en breedbandtoepassingen van Internet gaat aanbieden - dat wil zeggen een heel snelle vorm van Internet-verbinding waarmee je thuis op je computer naar de televisie kunt kijken.

Het Coster-project paste niet echt in dat 'concept'. Misschien wilde Flint, uit sympathie, nog wel sponsoren, maar waarop die sympathie precies gebaseerd was, werd niet erg duidelijk. Hij kende de site eigenlijk nauwelijks. We waren uit elkaar gegroeid - het Coster-project was in zijn ogen duidelijk een anachronisme, sympathiek misschien, maar duidelijk stammend uit de tijd waarin we allemaal nog jong en enthousiast waren, en dachten dat de zon voor niets opging.

We dronken nog maar wat van onze koffie, en toen zei Flint dat hij me binnen enkele dagen mobiel zou bellen om te vertellen wat zijn beslissing zou zijn over de toekomst van Coster. Daar heb ik nog steeds niks van gehoord.

*

De volgende ochtend zat ik op mijn eigen werkkamer met Willem Kuiper te werken. We waren inmiddels collega's geworden - Willem werkt een dag per week op het Meertens Instituut, en ik werk daar vier dagen in de week. Het was het eind van de dag en ik legde hem de kwestie voor. In een mum van tijd had hij de oplossing: hij zou de technische mensen op de Universiteit van Amsterdam er wel even van overtuigen dat ze een deel van hun computer moesten openstellen voor Coster. Hij besefte toen nog niet dat je bij zoiets altijd stuit op bedenkelijke gezichten. Maar ik besefte niet dat Willem Kuiper al die bedenkelijke gezichten binnen een paar dagen toch kan laten doen wat hij wil.

Zo is Coster dus verhuisd. Wat is het jammer dat De Digitale Stad zoals hij zes jaar geleden was niet kon blijven bestaan - dat zoveel mensen aan e-commerce en nieuwe economie zijn gaan doen in plaats van mee te helpen iets moois te maken van Internet. En wat is het prettig dat er nog universiteiten zijn.
Het nieuwe Internet-adres van het Project Laurens Jz. Coster-project luidt: http://www.hum.uva.nl/dsp/ljc/

Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl














maandag 2 juli 2001

De geeuw van de lil

Ik zat op een terras margarita's te drinken met iemand die 'gil' hetzelfde uitsprak als 'geeuw', maar die tegelijkertijd een duidelijk verschil beweerde te horen tussen het woord 'verst' dat 'meest ver' en het woord dat 'meest vers' betekende. Dat is voor mij precies andersom.

Mensen zoals mijn vriend zullen volgens mij de fonologie van het Nederlands weer interessant maken. Niet dat hij nu zelf zo'n briljante fonoloog is, integendeel, zijn kennis overstijgt nauwelijks dat van een willekeurige toekomstige bachelor in de Nederlandse taal- en letterkunde. Maar omdat hij de woorden op zo'n interessante manier uitspreekt, en daarin vast niet de enige is.

Dat mensen Niels en nieuws hetzelfde uitspreken, en veel laten rijmen op leeuw, daar hoor je al niet meer van op; het verschijnsel is al door verschillende taalkundigen beschreven. Ik doe het zelf geloof ik ook wel, in ieder geval in de genoemde woorden. Er valt ook wel een min of meer plausibel verhaal te vertellen over waarom ik dat doe, waarom zoveel mensen het doen: dat de l aan het eind van de lettergreep toch al de neiging heeft om dik te zijn en dat die dikke l heel dicht bij een w-klank ligt.

Nederlanders hebben dat eeuwen geleden al een keer gedaan. Die begonnen op een bepaald moment 'oud' te zeggen in plaats van 'old' en 'koud' in plaats van 'kalt'. We beginnen nu gewoon aan een nieuwe ronde.

Het was een warme avond op een terras in Den Haag. Daar kwam mijn vriend ook vandaan en bovendien had hij een beetje een dubbele tong, want we zaten al aan onze derde margarita. Maar daar lag het allemaal niet aan - hij is vijfentwintig jaar en behoort volgens mij gewoon tot de voorhoede van de nieuwste fonologische verandering.

Maar zijn er dan echt mensen die hun tong helemaal optillen aan het eind van geel? Die daar echt een l zeggen net als in leeg? Ik gaf tien jaar geleden al college aan propedeusestudenten. Ik vertel daarin altijd dat mensen het liefst klinkers en medeklinkers laten afwisselen. Dat ze daarom [melluk] zeggen tegen melk. Maar de laatste jaren zijn er nauwelijks nog studenten die dat nog geloven. 'We zeggen toch gewoon [mewk]?' roepen ze dan. En ik moet toegeven dat ik zelf ook steeds vaker [mewk] zeg en steeds minder [melluk].

Bij mijn vriend was er nog iets meer gebeurd, ontdekte ik. Voor hem hadden de klinkers voor een l en trouwens ook voor een r het verschil in lengte verloren. Gil klonk voor hem hetzelfde als geel, Cor hetzelfde als koor. Ook dat is een verschijnsel dat je bij meer mensen hoort, al ken ik er eigenlijk geen literatuur over.

Maar is dat dan geen polder-Nederlands? Ja, dat is wat iedereen tegenwoordig zegt als je een taalverandering observeert, vooral als die iets met klinkers te maken heeft. Maar volgens mij heeft Jan Stroop, de vader van het polder-Nederlands, nog nooit iets over die klinkerlengte gezegd."

Wat mij nog niet eerder was opgevallen, was dat de twee verschijnselen konden samenvallen - en dat je zo margarita's kon drinken met iemand voor wie de woorden 'gil', 'geel' en 'geeuw' allemaal hetzelfde klonken. En toch is mijn vriend er nog nooit door in de war geraakt.

Wat ik ook nog niet wist is dat je kennelijk nog wel iets met die lengte doet: omdat het er kennelijk toch niet toe doet maak je je klinkers in de laatste lettergreep net even langer. De klinker in jouw gil en geel klinkt meer zoals die van mij in geel dan zoals die van mij in gil."

Ook de klinker in ver bleek langer te zijn bij mijn vriend dan bij mij. Maar die verlenging gebeurt alleen als de klinker door niet meer dan één medeklinker gevolgd wordt: wel in ver, niet in vers of kerst. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom dat zo is: er moet wel ruimte zijn voor die verlenging, en met teveel medeklinkers is die ruimte er niet.

Welke medeklinkers tellen mee? Bij mijn vriend kennelijk alleen die van de stam. Bij verder en (ik spring het) verst zijn de s en de t kennelijk onzichtbaar: de e wordt langer, net als in de eenvoudige vorm ver. Maar vers begint in de eenvoudige vorm al met twee medeklinkers die de klinker het verlengen beletten: die s is dus wel zichtbaar.

Dat verklaart het verschil tussen verst en verst, en daar namen we nog maar een margarita op.